Hoofdstuk 8:  Samenvatting en besluit

 

Samenvatting

In hoofdstuk 1 wordt aangetoond dat de terreinen waar de headquarterszone zou komen steeds open ruimte zijn geweest. Het gebied werd reeds vrij vroeg voor agrarische activiteiten gebruikt. De omliggende gebieden daarentegen waren (en zijn nog steeds) natuurlijker van aard: er zijn (historisch belangrijke) bossen ten westen en meersengebieden ten oosten van de terreinen waar de headquarterszone zou komen. Door de studie van de sequentie van geselecteerde historische kaarten zien we de locatie steeds aantrekkelijker worden voor verstedelijking. De aanleg van de autosnelweg E40 en de expresweg N31 hebben hier een grote rol bij gespeeld.

 

In hoofdstuk 2 worden enkele bronnen geconsulteerd om na te gaan wat het economisch belang is van de realisatie van de headquarterszone. Het is duidelijk dat concentratie van hoofdkwartieren niet vereist is (kantoren kunnen gemakkelijk verweven worden met wonen, winkelen, werken) maar men deze concentratie wil aanwenden om een prestigieuze locatie voor de headquarters te bekomen.

 

In het derde hoofdstuk worden de ruimtelijke structuurplannen (gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk) onderzocht. Het is duidelijk dat de beoogde locatie niet voldoet aan enkele principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.

Op provinciaal niveau valt het verschil op tussen enerzijds de voorstudie die opgemaakt werd voor het deelgebied 'kustzone' (waarin veel aandacht besteed wordt aan de headquarterszone) en anderzijds het provinciaal ruimtelijk structuurplan, dat integendeel veel belang lijkt te hechten aan het behoud van de open ruimte ten zuiden van Brugge en waar met geen woord gerept wordt over de headquarterszone.

Deze dubbelzinnigheid valt ook op in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan: hier wordt in één document zowel een pleidooi gehouden voor het behoud van de open ruimte als voor de realisatie van de headquarterszone (inspelend op de groeiende tewerkstelling in de sector van hoogwaardige dienstverlening). Toch wordt hier opvallend weinig aandacht besteed aan het project.

 

In het vierde hoofdstuk worden de juridische aspecten van het project onderzocht. Er wordt nagegaan hoe de vork aan de steel zit wat betreft de diverse voorstellen voor gewestplanwijziging (ingediend door de GOM West-Vlaanderen) en de (gemeentelijke) poging om met een BPA af te wijken van de gewestplanbestemming. Er wordt ook nagegaan wat de juridische stappen zijn die moeten gezet worden als het desalniettemin zou komen tot de realisatie van het bedrijventerrein op deze locatie.

 

In het vijfde hoofdstuk worden de bezwaren tegen de realisatie van de headquarterszone op deze locatie op een rijtje gezet en verder uitgediept. Er zijn bezwaren vanuit het standpunt van behoud van open ruimte (en daarmee verbonden natuur en landschap), vanwege het cultuurhistorisch en archeologisch belang van de site, vanuit het locatiebeleid en de bereikbaarheid met openbaar vervoer... ook de onduidelijkheid die rond het project hangt wordt als een bezwaar tegen de realisatie ervan opgevat. Deze onduidelijkheid, gecombineerd met andere vage plannen (waaronder de nieuwe zuidelijke invalsweg), doet vrezen dat nog meer open ruimte zal worden ingenomen door stedelijke ontwikkelingen.

 

Deze bezwaren nopen het zoeken (in hoofdstuk 6) naar alternatieve, beter geschikte locaties. De vraag is echter of moet gezocht worden naar één alternatieve locatie voor de headquarterszone of naar diverse alternatieve locaties die geschikt zijn om hoofdkwartieren op te vestigen. De meerwaarde van de concentratie van headquarters op een specifiek bedrijventerrein zijn namelijk onduidelijk en er kunnen (door inbreiding) aan geïnteresseerde hoofdkwartieren een groot aantal prestigieuze locaties aangeboden worden die niet in een openruimte-verbinding gelegen zijn maar wèl aansluiten bij de stedelijke structuur en die wèl ontsloten zijn door openbaar vervoer. Door deze bedrijven niet te concentreren wordt open ruimte behouden. Mogelijke alternatieve locaties waar (een deel van) de headquarterszone kan gerealiseerd worden zijn de Brugse stationsomgeving en de Lac van Loppem.

 

In het zevende hoofdstuk worden voorstellen gelanceerd van criteria en voorwaarden waaraan de headquarterszone minstens zou moeten voldoen als ze toch op de beoogde locatie zou gerealiseerd worden. Er moet niet enkel voor gezorgd worden dat het om een duurzaam bedrijventerrein gaat; bovendien moet er voor gezorgd worden dat de natuurkwaliteit (biodiversiteit) en belevingswaarde in situ erop vooruitgaan (volgens de principes van de offensieve natuurstrategisch stedelijk beleid) èn, ter compensatie van de open ruimte die verloren gaat, moet er door externe compensatie voor gezorgd worden dat de omliggende (natuur)gebieden versterkt worden, zodat ze ook een harde(re) buffer worden tegen de verstedelijkingsdruk die de realisatie van de headquarterszone (en de nieuwe zuidelijke invalsweg) met zich zal meebrengen. Zelfs als alle voorgestelde mitigerende maatregelen in realiteit worden omgezet blijft het project echter een voorbeeld van niet-duurzame ontwikkeling: open ruimte wordt ingepalmd.

 

Besluit

Vanuit een hedendaagse visie op ruimtelijke planning en in het licht van aanwezige en potentiële landschapsecologische functies is de inplanting van de headquarterszone langs de Chartreuseweg en de expresweg N31 te Sint-Michiels Brugge niet aanvaardbaar. Deze plek heeft een prima autobereikbaarheid, maar sluit niet aan bij de bestaande agglomeratie en is daarenboven een belangrijke schakel in de openruimte-verbinding tussen Brugge en Loppem. Ook moeten kantoren volgens de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden gelokaliseerd op knooppunten van openbaar vervoer.

 

Het project is steeds vaag gebleven en er moet nog veel onderzoek gebeuren: de noodzaak aan concentratie van deze bedrijven is onvoldoende aangetoond en mogelijke alternatieve locaties werden nog niet onderzocht. Daarom kan niet aanvaard worden dat op deze locatie de headquarterszone zou gerealiseerd worden; de locatiekeuze is onvoldoende gemotiveerd en lijkt eerder incidenteel te zijn gebeurd.

 

Meer algemeen moet overigens gepleit worden voor een meer doordachte locatiekeuze, waarbij slechts in dwingende omstandigheden openruimte-verbindingen mogen worden beoogd. Dit beleid zou moeten geoperationaliseerd worden. Het voorgestelde offensief natuurstrategisch stedelijk beleid kan hier een aanzet toe zijn.