Hoofdstuk 5:  Bezwaren tegen de headquarterszone in         

                        het beschouwde gebied  

  

Op diverse plaatsen in dit werk werden reeds bezwaren tegen de headquarterszone op het terrein langs de Chartreuseweg en de expresweg N31 geformuleerd. In dit hoofdstuk worden deze bezwaren logisch geordend en verder uitgediept. Ook enkele nog niet vermelde bezwaren worden hier aangehaald.

Er is nog veel onzekerheid en verdeeldheid rond dit politiek geladen project. Wegens die onzekere toekomst kunnen niet alle bezwaren voorzien en geformuleerd worden. In 5.6 wordt deze onzekerheid en verdeeldheid trouwens als bezwaar op zich aangehaald.

  

5.1.  Locatiebeleid

In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen staat uitdrukkelijk vermeld dat kantoren dé stedelijke voorzieningen voor concentratie bij uitstek zijn([1]). Bovendien zijn het activiteiten met een groot aantal arbeidsplaatsen per oppervlakte-eenheid en dus met een dicht ruimtegebruik. Daardoor genereren kantoren niet te verwaarlozen verkeersstromen en dus moeten deze voorzieningen worden geconcentreerd op belangrijke knooppunten van openbaar vervoer([2]). Dit locatiebeleid wordt geconcretiseerd in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan. Daar wordt gesteld dat kantoren en 'zakelijke dienstverlening' beter gelokaliseerd worden op plekken met een goede bediening door openbaar vervoer([3]). Voor het uitwerken van het locatiebeleid wordt in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan gebruik gemaakt van 4 bereikbaarheidsprofielen:

-          locatietype A: optimaal door het openbaar vervoer ontsloten (een straal van 1 km rond het station;

-          locatietype B: langs een lijn van het openbaar vervoer op stedelijk niveau en tevens aan een hoofdtoegangsweg of hoofdstraat, goed bereikbaar eveneens voor het langzaam verkeer;

-          locatietype C: optimaal ontsloten voor de wagen, bijvoorbeeld aan oprit autosnelweg of expresweg. Zeer lage eisen voor bereikbaarheid met openbaar vervoer en langzaam verkeer;

-          locatietype D: watergebonden locaties. Eveneens wordt een goede bereikbaarheid voor vrachtverkeer vereist.

 

Kantoren en zakelijke dienstverlening (bank- en kredietwezen) worden, nog steeds volgens het GRS, best gelokaliseerd op A- of B-locaties. De beoogde terreinen zijn echter van locatietype C (want: omgeving N31 - Koning Albertlaan)([4]). Dergelijke locaties zijn, vanuit verkeerskundig opzicht, optimaal geschikt voor glastuinbouw, groothandel en transportbedrijven([5]).

Nochtans wordt bij de gewenste ruimtelijke structuur van Sint-Michiels bevestigd: "een specifieke dienstenzone ('headquarterszone') wordt ingeplant nabij de N31, omgeven door het stadsrandbos [Tillegembos] en ecologische en waardevolle meersengebieden van de Kerkebeek en de Wulgenbroeken."([6]) Hiermee wordt dus afgeweken van het voorgestelde locatiebeleid.

 

Het is onduidelijk in hoeverre deze bezwaren ook opgeld maken in het beschouwde geval van de headquarterszone. Het zal ervan afhangen welk type headquarters men aantrekt (als het research-centra zijn is het misschien mogelijk dat het om 'gesloten kernen' gaat die geen grote verkeersstromen genereren. Ook het aantal bedrijven is van groot belang.

Volgens dhr. D. Verté (Dienst Urbanisatie Stad Brugge) wordt er momenteel geopteerd om bedrijven met een research-functie aan te trekken op het terrein, omdat dergelijke bedrijven eerder geïsoleerde kernen zijn, die niet veel vervoer genereren. De headquarterszone zou een soort 'denktank' moeten worden.

Omwille van het feit dat kantoren veel verkeer genereren zijn velen voorstander om de headquarters in de stationsomgeving te lokaliseren. Zo kunnen veel dagelijkse pendelbewegingen van werknemers met het openbaar vervoer gebeuren. Op mogelijke alternatieve locaties wordt echter teruggekomen in hoofdstuk 6.

 

Wat de bereikbaarheid van het gebied met het openbaar vervoer betreft is het zo dat de afstand tot het station ongeveer 3,8 km is([7]). Met het busvervoer van 'De Lijn' is het mogelijk een regelmatige verbinding met het station te garanderen; een stadslijnbus (Lijn7) komt in de onmiddellijke omgeving. Met deze bus kan men overdag om de twintig minuten tot aan het Brugse station rijden([8]). Men zegt deze bus met een eenvoudige lus te kunnen omleiden om zo ook de headquarterszone te kunnen bedienen. Rekening houdend met het stratenpatroon juist ten oosten van de Rijselstraat (de bus rijdt niet op deze straat maar bedient de aanwezige appartementen erachter) zal het om een tijdrovende omweg gaan; veel van deze straten zijn immers doodlopend.

Er passeert ook een streeklijnbus (streeklijn 66b Brugge-Roeselare) op ongeveer 500 meter van wat de vermoedelijke plaats van de toegangsweg tot de headquarterszone zou worden. Deze bus rijdt vanuit Brugge via de Rijselstraat de Heidelbergstraat op. Van maandag tot vrijdag betekent dit 14 keer per dag een verbinding tot het station van Brugge en 12 keer per dag een verbinding naar Roeselare([9]).

 

Het is duidelijk dat dit niet het knooppunt van openbaar vervoer is dat principieel gewenst is. Door een kort stukje extra weg aan te leggen (en zo een doodlopend straatje te verbinden met de Rijselstraat of de Heidelbergstraat) zou het mogelijk zijn op een efficiënte wijze een regelmatige busverbinding naar het Brugse station te realiseren.

 

5.2.  Landbouw

Door de realisatie van de headquarterszone zou die oppervlakte verloren gaan voor agrarisch gebruik. Eén hoeve zal moeten verdwijnen door de realisatie van het bedrijventerrein, vier pachtende landbouwers zullen oppervlakte verliezen.

Momenteel worden de gronden, die eigendom zijn van het O.C.M.W., enkel nog in seizoenpacht gegeven om een snelle onteigening mogelijk te maken.

Weer een voorbeeld van een randstedelijk landbouwgebied in een open-ruimteverbinding die moet zwichten onder de verstedelijkingsdruk.

 

5.3.  Archeologie en cultuurhistorisch patrimonium

5.3.1.  Archeologische betekenis van het gebied([10])

Bij de opmaak van het BPA ‘Chartreuseweg West’ werd advies gevraagd aan de Brugse Archeologische Dienst. Deze dienst baseerde zich op de expertise van archeologen werkzaam aan de Gentse Universiteit. Door middel van oblieke luchtfotografie (waardoor vooral verschillen in vegetatiegroei duidelijk worden) was men zich daar reeds eerder bewust van waardevolle archeologische sporen op het betrokken terrein: er zijn sporen gevonden van grafheuvels uit de Midden-Bronstijd en er is ook een mysterieuze paperclipvormige structuur teruggevonden die uit de Vroege IJzertijd zou stammen. Deze sporen nopen tot een uitgebreid archeologisch onderzoek voor de terreinwerken voor de aanleg van het bedrijventerrein uitgevoerd kunnen worden.

 

De grafheuvels dateren vermoedelijk van de Midden-Bronstijd (2000-1500 BC). Het gaat hier om crematiegraven; er worden bij archeologische onderzoekingen dus geen menselijke botten gevonden maar wel kan men er soms nog de potscherven vinden van de urne waarin de as van de overledene bewaard werd. Deze urnen werden gewoonlijk op maaiveldniveau geplaatst waarna eroverheen een grafheuvel van 1 à 1,5 meter hoogte werd opgetrokken door middenwaartse ophoping van aarde die uit een cirkelvormige gracht opgegraven werd. Tegenwoordig is het reliëfverschil van de grafheuvel verdwenen, maar worden er op luchtfoto’s verschillen opgemerkt wat de vegetatiegroei betreft. Deze verschillen ontstaan door bodemvochtigheidsverschillen of doordat de opvulling van de gracht met vreemd materiaal is gebeurd. Op de betreffende site zijn deze sporen echter enkel door een geoefend oog waar te nemen. Er werden op het terrein, precies op de plaats waar de headquarterszone zou komen vijf dergelijke grafheuvels ontdekt.

 

De luchtfoto toont echter nog een duidelijker spoor. Het gaat om een paperclipvormige structuur die waarschijnlijk uit de Vroege IJzertijd (1200 à 800 BC) dateert. Dat vermoedt men omdat uit die tijd reeds verschillende ‘langbedden’ zijn teruggevonden. Dat zijn soortgelijke grafheuvels als deze hierboven geschreven, maar met een ovaalvormige gracht. De ‘paperclip’ zou dan vermoedelijk ontstaan zijn door een slordigheid in het graven van de gracht.

Schets van de ‘paperclip’

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 


Door de uitgestrekte oppervlakte die de headquarterszone zou innemen en het belang van de reeds op het terrein gevonden sporen, vermoedt de Gentse archeoloog M. Meganck dat er moet rekening gehouden worden met een archeologisch vooronderzoek dat 0,5 à 1 jaar zal duren. Er zou waarschijnlijk met een systeem van regelmatige zoeksleuven (sleuven van zo’n twee meter breed, om de tien meter) gewerkt worden. Op die manier kan men met een grote efficiëntie een grote oppervlakte onderzoeken.

Ook niet-archeologen zullen hun diensten kunnen aanbieden: zoölogen of biologen kunnen de eventueel gevonden botten onderzoeken, er zullen allerlei dateringsmethoden moeten gehanteerd worden, een mijten-onderzoek([11]) zou waarschijnlijk interessante zaken opleveren, bodemkundigen kunnen hun steentje bijdragen, een palynologisch onderzoek[12] zou moeten uitgevoerd worden…

 

5.3.2.  Cultuurhistorisch patrimonium

Vlak naast de zone waar volgens het nooit goedgekeurde BPA ‘Chartreuseweg West’ de headquarterszone zou kunnen komen, bevindt zich een hoeve die cultuurhistorisch erg belangrijk is (zie foto nr. 8). In de middeleeuwen diende het Groot Magdalenagoed (andere benamingen: Chartreusinnegoed, Stuivenberge) immers als leprozerie. Het is niet erg waarschijnlijk dat de realisatie van een bedrijventerrein de hoeve en haar omgeving onaangetast zal laten. Waarschijnlijk zal ze minstens helemaal a-typisch worden; losgerukt van de omgevende landbouwlanden. Een schoolvoorbeeld van schaalbreuk.

 

Vanwege het reële of vermeende besmettingsgevaar werden gedurende de middeleeuwen lepralijders en lijders aan andere ernstige huidziekten uit de samenleving geweerd. Wellicht al in de 12de eeuw en ten laatste in 1227 was er voor hen de Magdalenaleprozerie([13]). “Aanvankelijk was het een zelfstandige gemeenschap. In de loop van het tweede kwart van de 13de eeuw kwam er een bestuur en personeel dat uit niet-leprozen bestond. De Magdalenaleprozerie was, zeker na 1227, voorbehouden voor vermogende poorters. Arme leprozen groepeerden zich in een aparte gemeenschap van Akkerziekten, die op een viertal plaatsen op het platteland verbleven.” ([14])

Deze hoeve (O.C.M.W.-eigendom) is alsnog niet als monument beschermd([15]). Momenteel zijn er ook enkele onesthetische schuren bijgebouwd. Er waren plannen om de hoeve op te nemen in het PIDO of om haar een nieuwe functie te geven als therapeutisch afkickcentrum voor drugsverslaafden, die er dan aan landbouw zouden kunnen doen.

Door de grachten en omwallingen rond de hoeve heeft ze ook een belangrijke ecologische betekenis.

 

5.4.  Natuur en milieu

5.4.1.  Algemene situatie

Het betrokken gebied is ook wat natuur en milieu betreft zeker niet onbelangrijk. We bedoelen hier dan niet zozeer de door landbouwers gebruikte terreinen waar de headquarterszone zelf zou komen, maar wel de directe omgeving. Enkele waardevolle gebieden zullen hier besproken worden.

 

De terreinen zelf waar de headquarterszone zou komen, worden momenteel verpacht en gebruikt voor landbouwdoeleinden. Op het grootste deel van de oppervlakte wordt momenteel maïs verbouwd, een deel wordt ook als graasland voor koeien gebruikt. Op zich is dat biologisch niet erg belangrijk. Het geheel zorgt echter voor een groene verbinding tussen biologisch belangrijke gebieden als het Tillegembos, de Kerkebeek, de Wulgenbroeken (met kasteel Schoonhove) en het park van Loppem. Daardoor is de intrinsieke ecologische waarde van de bedreigde gronden toch niet te onderschatten (verbindingsfunctie).

 

De omgeving heeft al erg te lijden gehad van menselijke ingrepen. Het grootste probleem is waarschijnlijk de versnippering door harde barrières:

-            wegen (vooral de expresweg, gelegen op een hoog talud, en de autosnelwegen E40 en A17, maar ook de Koning Albertlaan, de Chartreuseweg...) hebben een versnipperende werking en fungeren voor vele organismen als een barrière.

Belangrijk is ook dat het juist door de aanleg van deze wegen is dat stedelijke ontwikkelingen als de headquarterszone zo interessant zijn in dit verkeerstechnisch uitstekend gelegen gebied.

 

-            de Kerkebeek is reeds jaren 'genormaliseerd'; ze heeft natuuronvriendelijke steile oevers van gewapend beton gekregen, alle meanders zijn rechtgetrokken. Dhr. E. Kuijken merkt op dat deze kanalisering van vrij recente datum is en de natuurlijke potenties voor herstel nog erg groot zijn; de oude loop is nog intakt gebleven. Deze oevers (van de Oude Kerkebeek) zijn duidelijk veel natuurvriendelijker en hebben een kleinere barrièrewerking (vergelijk hiervoor de foto's 1 tot 3, bijlage 19).

-            de spoorweg Brugge-Kortrijk trekt een harde barrière door de Wulgenbroeken (bijlage 19, foto 9);

 

Het is niet enkel door versnippering dat er heel wat fout gaat. Zonder hier de 'normale' problemen te vernoemen als eutrofiëring, verzuring, lichtpollutie, verdroging, verlies aan biodiversiteit,... worden hier enkele gebiedsspecifieke problemen aangehaald.

De Kerkebeek is 'zwaar verontreinigd' (kwalitatieve omschrijving in functie van de basis Prati-index([16])). In het Tillegembos werden delen verkaveld en bebouwd. Verder zijn binnen het studiegebied reeds het PIDO, de pompinstallatie van Aquafin en de Regie der Wegen gevestigd.

 

Belangrijke nieuwe bedreigingen voor dit gebied zijn de geplande maar omstreden headquarterszone (en algemeen de sterke verstedelijkingsdruk op de zuidelijke rand van Brugge) en de geplande aftakking van de N31 tot aan de Brugse stationsomgeving (dwars door de Wulgenbroeken. Meer info over deze nieuwe invalsweg is opgenomen onder 6.1.1 en in bijlage 18). Er kan gevreesd worden dat beide ontwikkelingen (gecombineerd) een sterke verstedelijking van dit gebied zullen teweegbrengen, en de openruimte-gordel rond de stad totaal zal tenietdoen. Door de geplande nieuwe zuidelijke invalsweg zal de natuurwaarde van de Wulgenbroeken verder degraderen.

 

Toch is er ook goed nieuws te melden. Sinds drie jaar is de ASWEBO-bitumeninstallatie uit het Smisjesbos verdwenen (verhuisd naar industrieterrein), de headquarterszone ondervindt tegenstand, er zal waarschijnlijk een waterbergingsgebied gecreëerd worden aan de Kerkebeek (met indirecte postieve ecologische gevolgen...), men wil de kwaliteit van het water van de Kerkebeek verbeteren([17]), sinds dit jaar worden er paddenoverzetten georganiseerd([18]) om trekkende padden veilig naar de overkant van de Chartreuseweg te brengen (zo wordt alvast deze barrière wat minder hard) en algemeen is er een verhoogde interesse voor leefmilieu en natuur te merken.

 

5.4.2.  Bespreking van enkele belangrijke groene gebieden in de omgeving

· Tillegembos en bossen van Sint-Andries en Sint-Michiels

De aankoop van het Tillegemdomein betekende in 1963 het begin van de provinciale groenpolitiek. Het domein (thans 83 ha groot) is een zeer gevarieerd gemengd bos([19]). De hogere zandige gronden worden ingenomen door eiken-beukenbossen en (op armere delen) eiken-berkenbos. Her en der komen relicten van droge heide en van heischrale graslanden voor. In enkele depressies vinden we vochtige bostypes, zo bijvoorbeeld een elzenbroekbos nabij het Tillegemkasteel. Ook de percelen palend aan de Koning Albertlaan bevatten een waardevolle beekdalbosvegetatie. Tillegem telt het hele gamma bosvogels dat in de regio eigen is aan omvangrijke bosgebieden([20]).

Het stedelijk domein Beisbroek grenst aan het Tillegembos. Dit domein is 98 ha groot, en bestaat voor ongeveer de helft uit park en bos, de rest wordt ingenomen door akkers, weiland en heide. Ook de ijskelder, momenteel niet meer voor ijs maar door vleermuizen gebruikt, is belangrijk([21]).

 

· Kerkebeek

De Kerkebeek werd (ondanks haar slechte waterkwaliteit) in het PRS-WV geselecteerd als natuurverbindingsgebied. En terecht: langs de oevers van deze beek komen nog prachtige broekbossen en natte graslanden voor.... "Het kleine elzenbroek, gelegen langs de Kerkebeek, is zeer belangwekkend daar het zeldzame soorten als Moerasvaren, Zwarte bes en Elzenzegge herbergt."([22])

De Kerkebeek werd reeds jaren geleden 'genormaliseerd'; meanders werden rechtgetrokken, de beek werd uitgegraven en de oevers werden met gewapend beton versterkt. Negatieve gevolgen zijn legio; sedertdien blijft de winterbedding van de beek meestal wel droog (met vermindering van biologische diversiteit tot gevolg) maar meer stroomafwaarts staan geregeld woongebieden onder water. Daarom wordt er nu gedacht aan de aanleg van een wachtbekken op de Kerkebeek. "Het wachtbekken op de Kerkebeek is een van de mogelijke oplossingen tegen wateroverlast in sommige woonwijken langs de waterloop. De beslissing om een wachtbekken te bouwen zal echter afhangen van de resultaten van een modelleringsstudie die later dit jaar zal opgemaakt worden. Het betreft een wiskundig model van de waterloop en de vallei, waarbij voor verschillende typestormen de debieten en de waterhoogten in de waterlopen kunnen berekend worden en waarbij verschillende scenario's met elkaar cijfermatig kunnen vergeleken worden. De studie zal ongeveer één jaar duren."([23])

 

· Wulgenbroeken

De landschapseenheid Wulgebroeken wordt gevormd door een depressie van de Lijsterbeek. Vroeger was het een erg waardevol moerassig broekgebied, maar door wanordelijke omgevingsbebouwing, de versnipperende werking van (spoor)wegen, verdroging, en bemesting van de eertijds schrale graslanden heeft het gebied al een deel van haar glorie verloren([24]). Hoewel, alles is nog niet verloren. Het niet ingenomen gedeelte van het gebied bestaat nog steeds uit graslanden met opgaande bomenrijen (waardevol coulissenlandschap). Er komen nog resten beekdalbos voor (domein Schoonhove), er zijn nog mooie relicten van vochtige hooilanden en waardevolle veedrinkputten (KLE's). Ook de spoorwegbedding is biologisch waardevol; ze is struweelrijk en er huizen grote aantallen zangvogels. Het gebied is ook amfibierijk([25]).

Door het voeren van een actief KLE-beleid (instandhouden en vermeerdering van bomenrijen, houtkanten en poelen, het behoud van dode knotbomen als natuurlijke leefplaats voor holenbroeders...), het saneren van de waterkwaliteit van beken en sloten in het gebied en dergelijke kan het gebied weer haar biologische rijkdom terugkrijgen, en weer een erg waardevolle schakel worden in de open en groene ring aan de verstedelijkte zuidrand van Brugge([26]).

 

· Kasteelpark van Loppem

Het neogotische kasteel van Loppem werd gebouwd in 1859. Het kasteelpark (10 ha) werd aangelegd in een zwierige Engelse landschapsstijl. Veel bomen in het park zijn ouder dan het kasteel en enkele waardevolle exemplaren moeten zelfs 500 jaar oud zijn. Ze zijn een restant van het historische 'Balander Bosch'([27]), dit bos strekte zich uit tussen Loppem en Oostkamp ten tijde van de opmaak van de Ferraris-kaart. Hier groeien enkele voor de zandstreek zeer zeldzame soorten. Het domein bezit een erg rijke en goed ontwikkelde stinseflora([28]) en het lenteaspect in het park is zeer uitgesproken([29]). In het Balanderbos te Loppem staan nog enkele zeer waardevolle overmaatse eiken, met een stamomtrek van meer dan 4 meter. De locaties waarop in onze streken toegestaan werd dat eiken deze niet-commerciële afmetingen bereiken, zijn op één hand te tellen([30]).

 

5.4.3.  Ontwerp van Groene Hoofdstruktuur (GHS)

Het Ontwerp van GHS is in 1993 opgemaakt, met als doel ingepast te worden in het ruimtelijk beleid van de Vlaamse Regering dat wordt vastgelegd in het Structuurplan Vlaanderen. "De Groene Hoofdstructuur moet beschouwd worden als een beleidsvisie vanuit de sektor natuur voor de open ruimte. Op de kaarten van de Groene Hoofdstructuur worden de prioriteiten voor dit sektorieel beleid ruimtelijk vastgelegd."([31])

"De GHS is dus geen bestemmings- of een beheersplan. De GHS is een beleidsondersteunend element voor het sektor- en facetbeleid inzake natuurbehoud en kan als richtinggevend actieplan worden gebruikt voor de diverse beleidssektoren."([32])

 

Nu het decreet natuurbehoud en het RSV goedgekeurd zijn hebben het Instituut voor Natuurbehoud en Aminal een nieuwe ‘Gewenste Natuurlijke Structuur’ opgemaakt voor de provincie West-Vlaanderen. Het gaat in feite om een herwerking van de Groene Hoofdstructuur, op schaal 1:100.000. Dat moet de provincie helpen bij de afbakening van de natuurverbindingsgebieden en de ecologische infrastructuur. Deze afbakening is evenwel problematisch  omdat op Vlaams niveau de VEN en IVON-gebieden nog niet afgebakend zijn (zie 3.2). Het kwestieuze gebied staat op deze kaart 'Gewenste Natuurlijke Structuur' opgetekend als verbindingsgebied én zoekzone voor bosuitbreidingsgebied([33]).

 

Hier houden we ons echter bij de oudere versie, in 1993 opgemaakt door AMINAL en het Instituut voor Natuurbehoud. De nieuwe versie is nog een zuiver intern document. De kaart is opgenomen in bijlage 17. Op deze kaart worden 3 gebiedscategorieën onderscheiden: natuurkerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en natuurverbindingsgebieden.

Beknopt geformuleerd komt het er op neer dat natuurkerngebieden een hoge natuurwaarde hebben. Het gaat om aaneengesloten gebieden met een minimumoppervlakte van 50 ha, waar natuurbehoud als hoofdfunctie gezien wordt.

Natuurontwikkelingsgebieden zijn moeilijker te definiëren, men zou vereenvoudigd kunnen stellen dat het om gebieden met een grote natuurpotentie gaat. Momenteel is natuurbehoud er meestal nog een nevenfunctie, maar na realisatie wordt natuur de hoofdfunctie. Er blijven echter nevenfuncties mogelijk.

 De biologische waarde van natuurverbindingsgebieden wordt bepaald door de aanwezigheid van lijn- en/of puntvormige elementen; het zijn zones die een verbinding kunnen realiseren tussen naastliggende natuurkern- of natuurontwikkelingsgebieden. Natuurontwikkeling is er gericht op het behoud en herstel van kleine landschapselementen (bijvoorbeeld de heraanplant van struwelen en houtkanten, de heraanleg van poelen, het beheer van schrale bermen...).

 

Zonder tot de verleiding te komen een grootschalige kaart te raadplegen (dat zou immers een fout gebruik zijn van deze beleidsondersteunende kaart...) kan hier vermeld worden dat het studiegebied grotendeels onder de noemer natuurverbindingsgebied valt. Het meer noordelijke deel is echter natuurontwikkelingsgebied.

Op de kaart op schaal 1/100.000 (bijlage 17) kunnen we echter het belang van het studiegebied voor de natuur inschatten; het gebied maakt duidelijk deel uit van een niet te verbreken groter geheel.

 

5.4.4.  Biologische waarde van de headquarterszone-terreinen volgens het GNOP

Onder deze subtitel wordt nagegaan wat het GNOP([34]) zegt over de bedreigde terreinen.

"De omgeving van het Groot Magdalenagoed is akker- en weilandgebied met een enigszins parklandschappelijk karakter, waarbij Zomereiken en Canadapopulieren de aspektbepalers zijn. Rond de Magdalenahoeve ligt een mooie ringsloot waarin Gele waterkers massaal voorkomt [...]. In het Smisjesbos [naaldbos gelegen op droge zandgrond] broedt onder meer Ransuil en Boomvalk. De berm aan de Heidelbergstraat is een waardevol schraal milieu, met typische plantensoorten en een rijke vlinderfauna."([35])

Tot zover de beschrijving in het GNOP over het gebied dat zou ingenomen worden door de headquarterszone. Het gebied zelf is niet bijzonder waardevol vanuit biologisch standpunt([36]).

Over het gebied net ten noorden van de Chartreuseweg, vermeldt het GNOP het volgende: de omgeving van het Novotel-hotel behoort tot de eigenlijke beekdalzone van de Kerkebeek. Ze bevat nog een stuk oude beekloop met nog een fragment erg waardevol beekbegeleidend bos (met zeer natuurlijke bomen- en struikensamenstelling) en vochtig weiland([37]).

 

Het gebied ten oosten van de expresweg is volgens het GNOP duidelijk in te delen in een vrij banaal deel (ten zuiden van de Chartreuseweg) en een biologisch waardevol deel (ten noorden van de Chartreuseweg).

Het GNOP vermeldt dat het zuidelijk deel van deelgebied Chartreuseweg-Oost, dus het deel tussen de Chartreuseweg en de Heidelbergstraat en ten oosten van de expresweg N31, een hoger gelegen akkergebied is. “Deze zone heeft geen specifieke botanische of faunistische waarden.”([38]) Het is dit gebied waar door BPA ‘Chartreuseweg Oost’ een woongebied herbestemd is tot agrarisch gebied (zie 4.2.2).

Over het noordelijke deel vermeldt het GNOP dat het “globaal bestaat uit een brede, laaggelegen kom (grotendeels < 5 m.), waarin nog de oude meanderende bedding [van de Kerkebeek] aanwezig is, naast de gekanaliseerde nieuwe loop. De lagere delen van deze kom inunderen bij sterke watertoevoer.”([39]) Het is in dit gebied dat door voormeld BPA een deel natuurgebied herbestemd werd tot woongebied en gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen (regularisaties van de bestaande bebouwingslint en Aquafin-pompinstallatie - zie 4.2.2). Ook de foto's 1 en 2 zijn er getrokken. Volgens het BPA 'Chartreuseweg West' zou dit gebied niet aangetast worden door de creatie van de headquarterszone. Wel zou het volledig omgeven worden door verstedelijkt gebied, waardoor het veel aan belang (biologisch en landschappelijk) zou inboeten en door nog grotere verstedelijkingsdruk zou bedreigd worden.

 

5.4.5.  Biologische waarde van de headquarterszone-terreinen volgens de BWK

De opmaak en actualisatie van de Biologische Waarderingskaart van België (BWK) heeft als doel om over een uniforme, gebiedsdekkende databank te beschikken over de toestand van het natuurlijk milieu. Hiervoor wordt de voorkomende vegetatie (er is gekozen voor een kartering op fytosociologische basis) geïnventariseerd en in kaart gebracht (basiskaart: topografische kaart NGI 1/25.000). Verder wordt aan ieder ecotoop op basis van vier criteria (zeldzaamheid, biologische kwaliteit, kwetsbaarheid en vervangbaarheid) een waardecijfer toegekend:

1.      Biologisch zeer waardevol

2.      Biologisch waardevol

3.      Biologisch minder waardevol / Geringere biologische waarde([40])

 

In het begin van de jaren zeventig reeds werd een soortgelijke 'milieukaart' opgemaakt door dhr. J. Hublé en dhr. E. Kuijken. Er werd toen met twee waarderingsklassen gewerkt: zeer waardevolle gebieden en waardevolle gebieden. Deze milieukaart, die opgenomen is in het Structuurplan Brugge van 1976([41]), kan beschouwd worden als de voorloper van de Biologische Waarderingskaart.

 

Zoals ook op bijlage 16 kan nagegaan worden, is het Smisjesbos op de BWK ingekleurd als biologisch waardevol gebied. De vegetatie bestaat er voornamelijk uit een oudere dennenaanplant (Ppm) met ondergroei van lage (Ppms) of hoge (Ppmb) struiken([42]).

De bossen waarin het PIDO en de AWV gesitueerd zijn, zijn biologisch zeer waardevol. Het gaat hier vooral om zuur beukenbos en eiken-beukenbos (Fs) en zuur eikenbos (Qs). 

Ook de bossen rond het Novotel-hotel zijn zeer waardevol, omdat het gaat om een nitrofiel alluviaal elzenbos (Vn), met in de delen langs de Chartreuseweg ook populier en eik.

 

De percelen die volgens de bestaande BPA-plannen effectief zouden ingenomen worden door de headquarterszone hebben een geringere biologische waarde. De geïnventariseerde vegetatieklassen zijn er graasweide met Engels raaigras en witte klaver (Hp), bomenrijen (Kb), akkers op zandige bodem (Bs) en zeer soortenarm grasland (Hx). Het kleine biologisch waardevolle lint is een ondertussen reeds verdwenen doornstruweel (Sp).

Vanuit de sector natuur zou er dus principieel (en enkel rekening houdend met de biologische waarde van het gebied zelf) weinig tegenstand tegen de komst van de headquarterszone te verwachten zijn. Het gebied wordt echter omgeven door diverse biologisch (zeer) waardevolle gebieden. Hierdoor krijgt het gebied een biologische functie; het moet de organismen-migraties (op termijn een noodzaak voor de overleving van elke populatie) tussen de omgevende biologisch (zeer) waardevolle gebieden faciliteren. Moest het gebied bebouwd worden om als headquarterszone te dienen zouden deze migraties minder vlug gebeuren. Migratie van organismen tussen verschillende ecosystemen zal immers sneller en frequenter optreden tussen twee aan elkaar aangrenzende eenheden. Moeilijker is uitwisseling op grote afstand of over diverse soorten barrières heen. Het gebied is dus biologisch wel van belang, zonder dat dit aangegeven is op de BWK. Dit belang is wel af te leiden door interpretatie van de BWK.

Daarnaast is natuurlijk ook de aantasting van de openruimte-gordel een doorn in het oog van de groene sector.

 

5.5.  Open ruimte

'Open ruimte' kan opgevat worden als, we citeren: "niet-bebouwde ruimte, de plaatsen zonder aaneengesloten bebouwing of industrie. De term wordt dus gebruikt los van de uitgestrektheid ervan; er is ook open ruimte binnen het stedelijke gebied."([43]) Dat is ook de betekenis die in deze scriptie gebruikt wordt. Soms wordt 'open ruimte' echter ook opgevat als synoniem van 'open landschap' (i.t.t. 'gesloten landschap'), een ruimte met visuele openheid, zodat een bos geen open ruimte zou zijn.

Open ruimte wordt dikwijls gezien als een restruimte, als een ruimte die voorlopig niet verstedelijkt is en waar zo alle potenties naar de toekomst toe open blijven([44]). Tegen deze visie is verzet ontstaan. Verzet dat vooral gevoed werd door de traditionele sectoren van de open ruimte: landbouw, bosbouw en natuurbehoud.

 

5.5.1.  Algemene motieven voor het behoud van de open ruimte

Het is niet gemakkelijk te motiveren waarom het belangrijk is dat open ruimte moet behouden blijven. Men kan nog steeds de prijs van open ruimte niet objectief berekenen (dàt zou pas een sterke argumentatie zijn), en het valt ook niet te berekenen hoeveel open ruimte er precies nodig is. Nodig voor wat? Eerst en vooral voor natuurbehoud, landbouw en bosbouw... de wereld wordt echter steeds kleiner en principieel kunnen wij al onze voedselproducten en al het hout dat we nodig hebben invoeren. En natuur, is dat nodig? Bewijzen megalopolen niet voldoende dat we best zonder natuur kunnen...?

 

Gelukkig heeft de open ruimte meestal meerdere functies, bovenop de functie van de drie traditionele sectoren (zoals hierboven vernoemd) van de open ruimte. Zo is de natuurbehoudsfunctie van landbouwgebied en bosbouwgebied niet te onderschatten, en komen veel openruimte-gebieden in aanmerking voor recreatie. De draagkracht van open ruimte is hoger (of wordt vereist hoger te zijn) dan enkel de hoofdfunctie van het gebied. Daardoor neemt het belang van de open ruimte toe.

Het is duidelijk dat het belang van de open ruimte ook op een hoger dan enkel economisch niveau moet gezocht worden. De open ruimte is belangrijk voor haar drie traditionele sectoren en moet ook om die reden bewaard blijven maar er is meer. Dikwijls kan deze meerwaarde echter slechts aangevoeld worden. Het intrinsieke nut van open ruimte wordt onder meer verduidelijkt door de dubbele relatie tussen bijvoorbeeld open ruimte en landbouw. Open ruimte is er nodig voor (bepaalde vormen van grondgebonden) landbouw, terwijl landbouw ook kan bekeken worden als een behoeder van de open ruimte ('dit landschap wordt u aangeboden door de landbouw'). Dit wijst erop dat deze open ruimte ook op zichzelf als nuttig aangevoeld wordt.

Doordat de open ruimte gebruikt wordt voor een concrete functie (landbouw) wordt ze economisch belangrijker en krijgt ze een zekere identiteit. Hierdoor wordt de open ruimte sterker en kan ze beter weerstaan tegen externe verstedelijkings- of bebouwingsdruk. Dit geldt ook duidelijk voor open ruimte die gebruikt wordt voor bosbouw, maar al wat problematischer voor open ruimte die enkel natuurbehoud als functie heeft. Want dan wordt de vraag wat het belang is van natuurbehoud.

Dikwijls wordt dat belang verantwoord aan de hand van vier groepen motieven([45]). Die worden ook hier gebruikt, want bij uitbreiding verantwoorden ze tevens het belang van de open ruimte; er kan geen natuurbehoud zijn zonder open ruimte([46]), en het (hoger) belang van open ruimte kan moeilijk verduidelijkt worden zonder met de natuurbehoudsfunctie van open ruimte rekening te houden (daar elk open ruimte gebied ook een min of meer belangrijke natuurlijke functie heeft). Deze vier groepen motieven([47]) (uitgebreid tot openruimte-motieven) zijn:

 

(1)     Wetenschappelijke motieven: natuur (open ruimte voor natuur) is nodig omwille van haar regulatiefuncties en haar genetische reserve-functie ('genenpoel'). Ook de cultuurlijke open ruimte (landbouwgebied, bosbouwgebied...) speelt een rol in beide vermelde functies. Voor wat de genenpoel-functie betreft hoeven we maar te denken aan de hetze rond de genetisch gemodificeerde landbouwgewassen: een deel van de argumentatie tegen het gebruik van dergelijke gemanipuleerde soorten is juist gebaseerd op de vrees dat enkel nog die verbeterde soorten zullen gebruikt worden, en de historisch gegroeide soortendiversiteit verloren zal gaan([48]). Wat de regulatiefunctie betreft is het duidelijk dat ook bossen die voor houtproductie dienen en gewassen die voor voedselproductie dienen, bijvoorbeeld koolstofdioxide omzetten naar zuurstof en zo een regulerende taak vervullen.

Ook de laboratoriumfunctie van natuur (en open ruimte in het algemeen) kan hier vermeld worden: natuur en landschap bieden de mens onmisbare informatie en staan model voor antropogene systemen. Alleen al de onuitputtelijkheid van de boeiende informatiebron die natuur, landschap, open ruimte en het fysisch milieu zijn, verantwoorden hun bescherming. Ze stellen de mens in staat zich mentaal te ontplooien, te redeneren, te experimenteren, de geest aan te scherpen.

 

(2)     Gezondheidsmotieven: het leefmilieu van de mens moet voldoende harmonisch blijven voor het fysiek en psychisch welzijn van de mens. Open ruimte, zowel in de betekenis van relatief uitgestrekt visueel-open landschap als in de hier gebruikte betekenis van onbebouwde ruimte, speelt daar duidelijk een rol in, en hier ligt zeker een belangrijke functie van de outdoor-recreatie (als locatie van wandel- of fietstochten wordt veelal een openruimte-gebied gekozen, eerder zelden wordt de beslotenheid van een verstedelijkte ruimte als ontspannend aangevoeld). Men kan hier ook spreken van het leefbaarheidsaspect: alleen al de aanwezigheid van een open ruimte verhoogt de leefbaarheid in een groter gebied([49]). Ook de milieuhygiënische functie (opvangen van vervuiling, vergelijkbaar met de regulatiefunctie) en de signaalfunctie (gemakkelijk te begrijpen aan de hand van het oude gebruik van de gezondheidstoestand van een parkiet als signaal voor giftig mijngas) zijn hier vermeldenswaard.

 

(3)     Economische motieven: deze motievengroep is eenvoudig uit te breiden tot de drie traditionele sectoren van de open ruimte: oogsten van een grote diversiteit aan dierlijke en plantaardige natuurproducten, grondstoffen, voedsel, geneesmiddelen, hout... zonder roofbouw of bedreiging van de onder (1) vermelde reservoirfunctie.

Daarbij komt nog de waarde van open ruimte als onvervangbare hulpbron. Dit restruimte-motief heeft alles te maken met duurzame ontwikkeling. Door nu zoveel open ruimte in te palmen en te versnipperen, hypothekeren we kansen voor de volgende generaties om in hun behoeften te voldoen.

 

(4)     Culturele motieven: hier is vooral het ethisch motief te noemen: de mens als verantwoordelijke voor het voortbestaan van alle leven op aarde. Een menswaardige ethiek zou ons ertoe moeten brengen àlle levensvormen en hun milieu intrinsieke waarden toe te kennen en hun duurzame bestaansmogelijkheden te bieden. Hiervoor is behoud van open ruimte een noodzaak. Verder kunnen hier ook de esthetische motieven van de belevingswaarde van het open ruimte-landschap  vermeld worden, onder meer zoals dit tot uiting komt in de kunst (visuele openheid is hier belangrijk). Tenslotte is het zoeken naar inzicht in de specifieke ontstaansgeschiedenis van elke omgeving en de hieraan aangepaste leefgewoonten van de mens een cultuurhistorisch motief voor het behoud van de open ruimte.

 

5.5.2.  Gebiedsspecifieke motieven voor het behoud van de open ruimte

De hierboven vermelde motieven voor het behoud van de open ruimte kunnen ook toegepast worden op het openruimte-gebied dat zou verdwijnen door de realisatie van de headquarterszone op de beschouwde locatie.

Wat de wetenschappelijke motieven betreft is het duidelijk dat door het verdwijnen van het openruimte-gebied eveneens een deel regulatiefunctie, genetische reserve-functie en laboratoriumfunctie verloren gaat. Door de kanalisering van de Kerkebeek verdween reeds jaren geleden een stuk natuurlijke regulatiefunctie wat waterhuishouding betreft. Om de negatieve gevolgen hiervan te compenseren dient nu een waterbergingsgebied te worden aangelegd (zie hoger).

Ook verschillende gezondheidsmotieven pleiten mee voor het behoud van dit openruimte-gebied. Niemand weet hoe psychologisch belangrijk het is voor de duizenden mensen die dagelijks Brugge via de expresweg binnenrijden, om dat te kunnen doen temidden een gebied met parklandschappelijk karakter (tenminste tot de Koning Albertlaan). Ook heeft het gebied een milieuhygiënische functie en een signaalfunctie (zo wijst de vervuilingsgraad van de Kerkebeek op stroomopwaartse vervuiling).

De economische motieven voor het behoud van dit openruimte-gebied zijn legio: percelen worden nog steeds gebruikt voor het oogsten van plantaardige en dierlijke produkten (maïs, melkproductie...), het Smisjesbos produceert hout...

Er zijn ook culturele motieven die voor het behoud van dit openruimte-gebied pleiten: het ethisch motief kan genoemd worden evenals esthetische motieven (belevingswaarde). Zoals vermeld is vooral ook in dit gebied het cultuurhistorisch motief belangrijk voor het behoud van de open ruimte.

Ook het 'restruimte-motief' is mijn inziens een reden zijn om dit openruimte-gebied te bewaren; op die manier worden potenties naar de toekomst toe opengehouden. Dit motief moet niet perse als een bedreiging worden aanzien door de drie traditionele sectoren van de open ruimte; het motief zal (ook al wordt het niet verwoordt) toch steeds meespelen en de toekomst valt nu eenmaal moeilijk te voorspellen. Ze brengt misschien zelfs een inzicht dat ertoe zal leiden dat de ecologische potentie van het gebied door toedoen van natuurtechnische milieubouw weer optimaal benut zal worden. Misschien is het enkel 'voorlopig' nog zo dat de economische potenties van het gebied erg belangrijk worden geacht.

 

5.5.3.  Algemeen

In hoofdstuk 4 (paragraaf 4.2.2) werd reeds vermeld dat door het BPA 'Chartreuseweg Oost' voorzien wordt in een compensatie voor het groengebied dat zou verdwijnen door de realisatie van de headquarterszone. Een terrein dat bestemd was als woongebied op het gewestplan zou onbebouwd gelaten worden. Met deze ‘compensatie’ wil men de gemoederen van de ‘groene jongens’ bedaren. Dit openruimte-gebied zal echter volledig door verstedelijkt gebied omgeven worden en zal daarom waarschijnlijk toch niet lang stand houden tegen de verstedelijkingsdruk. Daar de samenhang van de open ruimte er sowieso helemaal verloren zou gaan, verliest dit fragment open ruimte trouwens een groot deel van haar landschappelijke identiteit en kwaliteit. Nochtans stelt het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone([50]): “het is deze zone tussen de morfologische agglomeratie, de expresweg en de bebouwing van Oostkamp die met de grootste nadruk moet worden open gehouden.”

 

Tot nogtoe hechtte de gemeente Brugge veel belang aan het behoud van de openruimte-gordel rond de stad (zie 3.3; de bespreking van het GRS en de zogenaamde 'groene forten'-gordel, zie bijlage 12). Dit beleid kreeg concrete gestalte door onder andere aan de hand van BPA's woon(uitbreidings)gebied te herbestemmen tot open ruimte. De beslissing tot ingebruikname  van open ruimte zou met de grootste voorzichtigheid moeten gepaard gaan. Door ingebruikname en versnippering van open ruimte worden immers kansen gehypothekeerd voor volgende generaties om in hun behoefte te voldoen (geen duurzame ontwikkeling).

 

5.6.  Onderlinge verdeeldheid en gebrek aan duidelijkheid

De onduidelijkheid en de onderlinge verdeeldheid die met dit project verbonden zijn resulteren in een onzekere situatie. Deze onzekerheid is op zich reeds een bezwaar tegen de realisatie van de headquarterszone op de beoogde locatie. Enkele voorbeelden van dit gebrek aan eensgezindheid en de (daaruit voortvloeiende?) onduidelijkheid worden hieronder opgesomd:

 

-          Het getouwtrek GOM West-Vlaanderen versus gemeente Brugge: beide partijen willen duidelijk het initiatief aan hun kant houden. Deze onenigheid bleek al duidelijk in hoofdstuk 2 (2.2) en werd ook vermeld in hoofdstuk 4 (4.2.2). Men kan zich afvragen of er kans is dat dit project uitmondt in een machtsstrijd. Ook binnen de GOM West-Vlaanderen en binnen de stad is er onenigheid over het project.

 

-          Onduidelijkheid over de kwalitatieve groene inrichting van het project. Er kan gevreesd worden dat de 'economisch gewenste groene inrichting' nu de inname van een grote oppervlakte verantwoordt maar het nut ervan later in twijfel kan getrokken worden waardoor er, ten koste van het groen, bijkomende oppervlakte kan gecreëerd voor winstgevende activiteiten.

 

-          In het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan wordt over een grotere oppervlakte gesproken dan het BPA 'Chartreuseweg West' aanduidt (28 ha([51]) tegenover 22 ha zoals werd aangeduid op het BPA). Het is niet duidelijk waar die bijkomende oppervlakte zal gehaald worden([52]).

 

-          In het GRS wordt er tegelijk gewag gemaakt van de headquarterszone en wordt er het belang van de openruimte-verbinding ten zuiden van de stad erkent.

 

-          Er is geen duidelijkheid over de toekomst voor het openruimte-gebied ten zuiden van Brugge. Zal men toelaten dat de zone uitgroeit tot een banaal handelsbedrijventerrein? Wordt de headquarterszone een nieuwe verstedelijkingskern? Er zijn namelijk nog katjes die melk lusten; er zijn vroeger nog andere initiatieven voor stedelijke ontwikkeling geweest voor deze terreinen. Er is nog sprake van geweest om zowel een multifunctionele randparking, een high-techzone en een polyvalente zaal (ter vervanging van de beurshallen) op deze terreinen te realiseren. Hiervoor zou een oppervlakte van 50 ha ingenomen worden([53]). Ook is er nog gedacht aan een technopolis([54]), een vestiging van Ikea([55],[56]), een cinema-complex. Nu nog steeds zijn er plannen voor de aanleg van een carpoolparking op de plek waar de Koning Albertlaan de expresweg N31 snijdt. De realisatie van de headquarterszone zou wel eens kunnen leiden tot het vrijgeven van het gebied voor de realisatie van andere stedelijke ontwikkelingen.

 

-          Er is veel onduidelijkheid over wat nu precies onder 'headquarters' moet worden verstaan. Het is reeds bekend dat door het jarenlange bakkeleien over dit project reeds enkele bedrijven afgehaakt hebben. Er wordt hierbij gesproken van vier geïnteresseerden: een op te richten innovatieproject voor machinebouw, MCS (het mediabedrijf van de regionale TV-zender Focus TV) "en er zijn nog twee andere kandidaten die afhaken."([57]) Beide nader genoemde bedrijven doen toch afvragen of deze al geen afbreuk doen aan het doel van de 'headquarters'-zone. De term 'headquarter' doet denken aan een 'decision unit' van bedrijven met meerdere filialen. De nader genoemde bedrijven zijn wel van bovenregionaal belang maar zijn duidelijk geen hoofdkwartieren. Dit staaft de vrees dat ook dit bedrijventerrein zal evolueren naar een banale kantorenzone of banaal handelsbedrijventerrein.

 

Voor er een doorbraak kan komen in dit project zullen de neuzen in Brugge toch eerst in dezelfde richting moeten kijken. Er moeten strikte garanties komen over het aantal en het type bedrijven dat zal toegelaten worden. Er moeten garanties komen betreffende de kwalitatieve inrichting van het bedrijventerrein. Een architectuurwedstrijd kan daar ideeën voor leveren.

 

Om zekerheden te krijgen zouden er ook één of meedere referenties moeten zijn. Dhr. D. Bylo zegt hierover: "Je moet eerst het engagement ('commitment') van een internationaal bedrijf verwerven, dat kiest voor Brugge als vestigingsplaats voor zijn hoofdkwartier. Dan krijgt het project pas concrete inhoud."([58])

 

Het gebrek aan eensgezindheid (en dan misschien vooral het weerwerk dat door lokale Agalev- en Volksunie-mandatarissen geleverd werd) staat duidelijk de realisatie van het project in de weg. Dit wordt bevestigd door het volgende. Op de vooravond van 1 mei 2000, datum waarop de nieuwe aanpak van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen van kracht werd, ging minister Van Mechelen nog enkele gewestplanwijzigingen goedkeuren. De voor de headquarterszone vereiste gewestplanwijziging kwam er echter niet. Vlaams volksvertegenwoordiger J. Devolder (VLD) suggereert dat dit juist aan het ontbreken van eensgezindheid te wijten is: "Het is altijd moeilijk een minister te overtuigen voor een dossier waarrond politieke verdeeldheid leeft. Ik stel gewoon vast dat alle dossiers waar er wél een brede eensgezindheid rond bestond, effectief ook werden goedgekeurd."([59])

Om dergelijke ingrijpende projecten te realiseren zou moeten sprake zijn van politieke eensgezindheid en van een breed maatschappelijk draagvlak. Voorwaarde daarvoor is ondermeer dat er duidelijkheid bestaat over het project.



[1] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 284

[2] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Richtinggevend gedeelte, pg. 362

[3] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pp. 44-46

[4] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pg. 47

[5] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pg. 46

[6] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pp. 80-81

[7] Berekend aan de hand van 'Route 66 Streets 98' van ROUTE 66 Geographic Information Systems B.V. / Teleatlas B.V. (1993-1997)

[8] De Lijn, Dienstregeling 2000-2001 Stadsbussen Brugge

[9] De Lijn, Lijnfolder 2000-2001 Buslijn 66b Brugge-Torhout-Lichtervelde-Roeselare

[10] Met dank aan Dhr. M. Meganck, Universiteit Gent, Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa

[11] Gefossiliseerde sporen van mijten worden dan onderzocht omdat mijten belangrijke ‘proxy-records’ zijn: ze zijn erg gevoelig aan veranderingen qua temperatuur, luchtvochtigheid…

[12] Bij een palynologisch onderzoek worden gefossiliseerde pollen onderzocht. Pollen zijn om dezelfde reden interessant als mijten.

[13] Ryckaert, M. & Vandewalle A., Brugge. De geschiedenis van een Europese stad, pg. 57

[14] Ryckaert, M. & Vandewalle A., Brugge. De geschiedenis van een Europese stad, pg. 57

[15] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Informatief gedeelte, pg. 147

[16] Gemeentelijk Milieubeleidsplan 2000-2004, pg. 29

[17] Omdat de Kerkebeek in voor natuur belangrijke zones komt. Inzonderheid de oude loop van de Kerkebeek moet gesaneerd worden (uit: Gemeentelijk Milieubeleidsplan 2000-2004, pp. 29-30).

[18] Artikel "Allemaal beestjes (die worden gered...)", De Streekkrant (Brugge-Torhout-Oostkust), 06/04/2000

[19] "De ommelanden van Brugge (2)", in De Standaard, 24/07/2000

[20] GNOP Brugge, deel 6 - pp. 96-97

[21] "De ommelanden van Brugge (2)", in De Standaard, 24/07/2000

[22] Uit: Verklarende tekst BWK van België bij de kaartbladen 5 en 13, pg. 86

[23] Mededeling per email door Ir. J. Leliaert (Departement LIN, Aminal), 10 juli 2000

[24] GNOP Brugge, deel 6 - pg. 86

[25] GNOP Brugge, deel 6 - pp. 86-88

[26] GNOP Brugge, deel 6 - pg. 88

[27] "De ommelanden van Brugge (2)", in De Standaard, 24/07/2000

[28] Gebiedsvreemde flora die kan gedijen door de geschiktheid van door de mens gecreëerde en onderhouden milieutypes (ontstaan door vergraven, harken, bemesten, strooiselroof, bodemvermenging...)

[29] Uit: Verklarende tekst BWK Kaartbladen 5 en 13, pp. 85-86

[30] Tack, G. et al., Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, pg. 116

[31] Aminal, brochure "De Groene Hoofdstruktuur", pg. 2

[32] Aminal, brochure "De Groene Hoofdstruktuur", pg. 4

[33] Defoort, T. & Decleer, K., Beknopte beschrijving van deelgebieden van het ontwerp natuurlijke structuur voor West-Vlaanderen, Instituut voor Natuurbehoud Rapport A98.38, Brussel, 1998

[34] Het gemeentelijk natuurontwikkelingsplan is een belangrijk onderdeel van het toekomstgericht milieu- en natuurbeleid waarvoor Brugge zich met het ondertekenen van het Milieuconvenant (1991) engageert.

[35] GNOP Brugge, deel 6 - pg. 95

[36] Burgemeester Moenaert zei op een gemeentelijke inspraakvergadering (op 16 november 1999) dat hij niet graag konijn zou zijn in dit gebied. De vele konijnen die er ronddartelen denken wellicht dat ze niet graag de Brugse burgemeester zouden zijn...

[37] GNOP Brugge, deel 6 - pg. 94

[38] GNOP Brugge, deel 6 - pg. 92

[39] GNOP Brugge, deel 6 - pg. 92

[40] Biologische Waarderingskaart van België, Algemene Verklarende Tekst, pg. 3

[41] Groep Planning, Structuurplan Brugge. Structuurplan voor de binnenstad, 1976, pg. 77. Uitleg over de opmaak van deze voorlopige milieukaart is opgenomen in de bijlage (pp. 292-296): 'Natuurgebieden en landschappen rond Brugge' (E. Kuijken).

[42] Vooral manshoge braamstruiken komen abundant voor.

[43] Knops, G. (ed.), Open Ruimte. Herwaardering van de open ruimte door evenwichtige verweving van functies en activiteiten, 1991, pg. 12

[44] Knops, G. (ed.), Open Ruimte. Herwaardering van de open ruimte door evenwichtige verweving van functies en activiteiten, 1991, pg. 5

[45] Met dank aan dhr. E. Kuijken

[46] Hoewel stedelijk groen bijvoorbeeld wel een erg belangrijke stapsteenfunctie kan hebben is open ruimte toch een vereiste voor natuurbehoud.

[47] Voor dit deel werd inspiratie geput uit de motivatiegroepen voor natuur(behoud), zoals onder meer terug te vinden in Kuijken, E., Cursus landschapsecologie en natuurbehoud (natuur- en groenbeheer), pg. 39 en De Blust, G., Froment A., Kuijken, E., e.a. (red.), Biologische Waarderingskaart van België. Algemene Verklarende Tekst, pp. 21-22

[48] Zie onder meer: Van Empel, A., Niet gokken op de akker, pp. 38-43

[49] Knops, G. (ed.), Open Ruimte. Herwaardering van de open ruimte door evenwichtige verweving van functies en activiteiten, 1991, pg. 13-14

[50] WES, Voorontwerp Struktuurplan Kustzone (versie februari 1994), pg. 92

[51] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pg. 30

[52] Er zijn drie min of meer voor de hand liggende mogelijkheden, die echter alle tot nieuwe bezwaren leiden. Ofwel kan de headquarterszone ook het Smisjesbos innemen, ofwel kan het gaan om een westelijke uitbreiding, waardoor onder andere de cultuurhistorische hoeve Groot Magdalenagoed bedreigd zou worden, ofwel beoogt men ook ten noorden van de Chartreuseweg (en ten zuiden van het Novotel-hotel) headquarters in te planten. Deze laatste mogelijkheid is de meest waarschijnlijke, want gelegen langs de expresweg.

[53] "'Convention centre' aan Chartreuseweg? Thierry Floréal pleit voor aantrekkingspool naar Amerikaans model"

[54] “Een Technopolis aan de Chartreuseweg?”, Het Nieuwsblad (editie Brugge-Oostkust), 13/02/1993

[55] “Kantorencomplex langs Chartreuseweg?”, Het Nieuwsblad (editie Brugge-Oostkust), 08/10/1992

[56] “Kamer: ‘Geen volumineuze handel in headquarterzone Sint-Michiels’”, Het Nieuwsblad (editie Brugge-Oostkust), 11/02/1993

[57] “Headquarterszone kan alleen aan Chartreuseweg”, Laatste Nieuws, 17/05/2000

[58] “Is headquarterzone Brugge haalbaar? Factor mens is cruciaal”, Het Volk, 07/02/2000

[59] “Headquarterzone terug naar af”, Brugsch Handelsblad, 12/05/2000