Het beschouwde gebied ligt integraal binnen het gewestplan Brugge-Oostkust (Gewestplan nr° 3, eerste definitieve vaststelling KB 07.04.1977; wat het studiegebied betreft werden nooit wijzigingen doorgevoerd, ook niet bij de belangrijke gewestplanherziening van september 1996). Een uittreksel van het gewestplan is opgenomen in bijlage 14.
De verschillende bestemmingsgebieden die voorkomen binnen de driehoek E40 – expresweg – Koning Albertlaan worden hier besproken. Het gaat om de bestemmingen:
· gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen
· parkgebied
· natuurgebied
· agrarisch gebied
· dienstverleningsgebied
Op het gewestplanuittreksel (bijlage 14) is te zien dat het grootste gedeelte van het gebied dat zou ingepalmd worden door de headquarterszone lichtblauw is ingekleurd. Dit betekent een bestemming als gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. In dergelijke gebieden worden de meest diverse inrichtingen ondergebracht zoals scholen, ziekenhuizen, gevangenisinstellingen, spoorwegstations….
Het is duidelijk dat in Vlaanderen niet voor elke gemeenschapsvoorziening of inrichting van openbaar nut een passend gebied([1]) voorzien is. Zo doorkruisen wegen en hoogspanningsleidingen bijvoorbeeld de meest diverse gebieden. Ook voorziet het artikel 20 van het KB van 28 december 1972 reeds dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen ook in andere zones kunnen toegelaten worden, voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het betrokken gebied([2]).
Het lichtblauw ingekleurde gebied wordt ook effectief gebruikt voor enkele gemeenschapsvoorzieningen. Zo is er bijvoorbeeld het PIDO Ons Erf vzw (Provinciaal Instituut voor Diep Oligofrenen) en de AWV (Administratie Wegen en Verkeer, departement LIN). De overige oppervlakte van de bestemming was voorzien om de verhuis mogelijk te maken van het Brugse Sint-Lodewijkscollege. Deze school was tot in de jaren ’70 gevestigd in het centrum van Brugge (waar nu het Zilverpand-shoppingcentrum is) en had verhuisplannen om uit het centrum van Brugge weg te geraken. Uiteindelijk verkozen ze toch een andere locatie die vanuit planologisch opzicht zeker aan te bevelen is boven de hier besproken locatie; de huidige locatie van de school aan de Magdalenastraat ligt vlakbij het station en het stadscentrum en is met de fiets veiliger en gemakkelijker te bereiken dan ooit mogelijk was geweest in de driehoek van het studiegebied.
In principe kunnen gebieden voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen niet gebruikt worden voor andere doeleinden, zoals bewoning of recreatie bijvoorbeeld. Ook headquarters horen uiteraard niet in een dergelijk gebied thuis, en kunnen er dus niet zonder meer komen (zie onder 4.3).
In de besproken driehoek neemt ook het lichtgroen gekleurde gebied een belangrijke oppervlakte in. Hier kan men twee opdrukletters (P en N) onderscheiden: het gaat respectievelijk om parkgebied en natuurgebied.
De parkgebieden moeten volgens het KB van 28 december 1972 in hun staat bewaard worden of dusdanig ingericht worden dat ze een sociale rol vervullen. Het sociale karakter van dergelijke gebieden vertaalt zich veelal in de recreatieve functie als wandel- en rustgebied. In parkgebieden is zeker niet elke vorm van nieuwe bebouwing uitgesloten; deze werken moeten echter het na te streven sociale karakter onderbouwen en zo kaderen in de openstelling van het park (we denken hier aan toiletgebouwen, horeca, parking voor de bezoekers van het park…). Ook hier is het duidelijk dat hoofdkwartieren niet op hun plaats zijn.
Natuurgebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Als constructies zijn in deze gebieden in principe enkel jagers- en vissershutten toegelaten. Ook zijn er alle handelingen verboden die van aard zijn het natuurlijk milieu te wijzigen, zoals ontginning, ontbossing, vegetatiewerken, alle infrastructuurwerken… enkel werken die ertoe strekken het natuurlijk milieu te beschermen of te herstellen zijn er mogelijk.
Het gebied binnen de driehoek E40 – expresweg – Koning Albertlaan en ten zuiden van de spoorweg Brugge-Torhout werd bestemd als agrarisch gebied. Deze landbouwgebieden dienen voor agrarische activiteiten ‘in de ruime zin’, dat wil zeggen dat principieel ook tuinbouw (serreteelt), intensieve veeteelt, niet grond gebonden landbouw (bijvoorbeeld de semi-industriële bedrijven zoals kippen- en varkensfokkerijen) en ook para-agrarische activiteiten er een plaatsje kunnen vinden. Vanzelfsprekend geldt dit niet voor headquarters.
Er is tenslotte een klein gebiedje op het gewestplan in het roze-oranje ingekleurd. Het gaat hier om dienstverleningsgebied. Deze bestemming dient voor de vestiging van bedrijven of inrichtingen waarvan de functie verder reikt dan de verzorging van de buurt. Hier is er een Novotel-hotel op gevestigd. Nu misschien nog op een wat vreemde, afgelegen locatie, maar binnenkort een business-hotel?
Had men in de jaren ’70 beslist een ruimer gebied in de beschouwde driehoek deze gewestplanbestemming te geven dan was de headquarterszone waarschijnlijk reeds een voldongen feit geweest. Juist omdat het gewestplan moest gewijzigd worden, heeft dit ambitieuze project zoveel weerstand kunnen ondervinden en zoveel vertraging in tijd opgelopen. Tijd die nuttig kan gebruikt worden om zich serieus te bezinnen over het project…
De sinds het begin van de jaren ’90 door velen gewenste functie van kantorenzone voor headquarters kan dus niet zonder meer verwezenlijkt worden op het beschouwde terrein; het gewestplan voorziet een andere bestemming. Algemeen doen er zich tot nog toe twee manieren voor om te kunnen afwijken van de gewestplanbestemming: via een gewestplanwijziging of via een BPA.
Om een bestaand gewestplan te kunnen wijzigen is dezelfde langdradige, ingewikkelde procedure voorzien als voor de opmaak van een nieuw gewestplan([3]).
De aanvraag van de GOM West-Vlaanderen tot gewestplanwijziging voor de realisatie van de headquarterszone heeft nooit geleid tot het starten van de wijzigingsprocedure. In enkele teksten wordt duidelijk gesteld dat een gewestplanwijziging in dit specifieke geval onmogelijk is:
· Volgens AMINAL([4]) is het “niet opportuun en weinig efficiënt” om gewestplannen in herziening te stellen voor één open-ruimte consumerende sector, gezien de kostbare en lange procedure die voor een gewestplanwijziging vereist is. “Een gewestplan wordt beter in zijn geheel of voor een samenhangend groter gedeelte in herziening gesteld. Dus niet alleen om te voorzien in nieuwe bedrijfsterreinen.” Bovendien is het slechts in uitzonderlijke te motiveren gevallen aanvaardbaar voor de open-ruimtesectoren dat gewestplannen in herziening gesteld worden voor het creëren van bedrijventerreinen. Bovendien moet dan, nog steeds volgens dezelfde brief, een dubbele voorwaarde gerespecteerd worden: er moet niet enkel sprake zijn van een planologische compensatie (indien natuur-, park-, of bosgebied ingenomen worden moet er elders evenwaardig gecompenseerd worden) maar het moet bovendien om een reële compensatie gaan (in de compensatiegebieden moet de N-, P-, of B-bestemming ook daadwerkelijk gerealiseerd worden).
· Op 2 februari 1999 antwoordt de heer Steve Stevaert aan de heer Joachim Coens([5]) dat wat de gewestplanwijziging van 1996 betreft het voorstel van de GOM West-Vlaanderen voor de inplanting van de zogenaamde ‘headquarterszone’ aan de Chartreuseweg te Brugge, door de toenmalige minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, getoetst werd aan de ruimtelijke principes van het ontwerp Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en dat op basis van die toetsing bij de gewestplanwijziging van 1996 het voorstel niet weerhouden werd wegens strijdigheid met deze principes.
Minister Stevaert geeft Coens echter hoop: “Tijdens het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Brugge, dat in de loop van 1999 zal worden opgestart, en in het lopende gemeentelijk structuurplanningsproces kan de behoefte aan en de ruimtelijke afweging van (regionale) bedrijventerreinen en kantoren verder worden onderzocht.” In feite komt dit antwoord van de minister dus neer op: ‘we shall see’.
· Op 7 oktober 1999 herhaalt de heer Dirk Van Mechelen aan de heer Joachim Coens([6]) de antwoorden van zijn collega’s. Hij benadrukt het belang van het principe uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat stelt dat kantoren de bestaande stedelijke structuur dienen te versterken en ze moeten geconcentreerd worden op verkeersknooppunten. Net als z’n voorganger Stevaert stelt hij dat er moet gewacht worden op de afbakening van het regionaalstedelijk gebied.
Sinds 1 mei 2000 kunnen geen nieuwe procedures tot gewestplanwijziging meer opgestart worden (en worden nog enkel de lopende procedures afgewerkt). Op de vooravond van 1 mei 2000 ging minister Van Mechelen nog enkele gewestplanwijzigingen goedkeuren. Het gewestplan Brugge-Oostkust kreeg echter niet de vereiste handtekening([7]). Nu het te laat is om nog met een gewestplanwijziging te kunnen werken, zal er moeten gewerkt worden met een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Gewestelijk aangezien het beoogde terrein in een regionaalstedelijk gebied ligt en het project duidelijk het lokale belang overschrijdt.
Normaal moet een lager plan van aanleg zich richten naar een hoger plan van aanleg. Men kan spreken van een hiërarchie van plannen van aanleg. 'Slechts desnoods' kan een later lager plan afwijken van een vroeger hoger plan([8]). Rond die ‘desnoods’ is een hele casuïstiek ontstaan. De Raad van State heeft om juridische geschillen te vermijden stringente condities vastgesteld waaraan voldaan moet worden vooraleer een BPA kan afwijken van een gewestplan([9]):
1. de in het gewestplan voorziene bestemming moet achterhaald zijn, of niet langer verwezenlijkbaar;
2. de in het lager plan voorgestelde afwijkende bestemming moet beantwoorden aan nieuwe en dwingende planologische noden;
3. deze nieuwe behoeften moeten precies kunnen gelokaliseerd worden en mogen de “algemene economie” (het kwetsbare evenwicht tussen de verschillende bestemmingen) van het gewestplan niet aantasten. Zoniet is een gewestplanherziening noodzakelijk;
4. de voorgestelde afwijking mag geen middel zijn om een gewestplan te corrigeren (ook hiervoor is een gewestplanwijziging nodig);
5. het lager plan mag niet worden opgemaakt met de uitdrukkelijke bedoeling van het gewestplan af te wijken;
6. als een BPA wil afwijken van een bestaand gewestplan, moet dit uitdrukkelijk gemotiveerd worden a.d.h.v. de vijf voorgaande condities.
Het is duidelijk dat het hier om een zeer restrictieve rechtspraak gaat en dat het zeer moeilijk is om met een BPA rechtsgeldig af te wijken van een gewestplan. In het beschouwde geval kan gesteld worden dat:
Ad 1. De bestemming ‘gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen’ is in feite achterhaald: het Sint-Lodewijkscollege is reeds verhuisd. Natuurlijk kan die bestemming wel nog verwezenlijkt worden, maar daar zijn geen concrete plannen voor.
Ad 2. Is de headquarterszone een nieuwe en dwingende planologische nood? Erg dwingend kan die nood niet genoemd worden. De economische noodzaak (zie hoofdstuk 2) is slechts vaag omschreven. Wel was het, zeker in het begin van de jaren ’90 misschien een nieuwe nood([10]). Er heeft zich namelijk ongetwijfeld een boom van de tertiaire sector en de sector van de zakelijke dienstverlening voorgedaan. Bij de opmaak van de gewestplannen kon die nood niet worden voorzien. Dit zou een afwijking enigszins kunnen verantwoorden, hoewel het eerder een reden voor gewestplanherziening is.
Ad 3. Het is niet zo dat de planologische behoefte aan een headquarterszone precies gelokaliseerd is. Het gaat om een vage behoefte, die niet gerelateerd is aan een eng geografisch gebied. Pas in een later stadium werd deze behoefte verbonden aan de ‘restruimte’ langs de Chartreuseweg, die vanuit psychologisch-verkeerskundig oogpunt zeer geschikt werd gevonden. Het is dus niet zo dat er op die specifieke plaats nood is aan een kantorenzone voor headquarters.
Gezien de grote afwijking (qua oppervlakte) ten opzichte van het gewestplan is er geen eenvoudig antwoord op de vraag of de ‘algemene economie’ van het gewestplan zou aangetast worden door het BPA.
De vermelde strenge restricties voor de afwijking van een BPA ten opzichte van een gewestplan worden enigszins afgezwakt door het artikel 165 van het nieuwe decreet([11]): “In artikel 165 van het nieuwe decreet wordt bepaald dat nog gedurende 5 jaar vanaf de inwerkingtreding van het decreet met een BPA van het gewestplan kan worden afgeweken, op voorwaarde dat de gemeente reeds beslist heeft tot het opmaken van een eigen ruimtelijk structuurplan, en ‘een ruimtelijke afweging mede gebeurt op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen’.”([12])
Er zijn vele redenen die het ongeloofwaardig maken dat men zou kunnen gebruik maken van dit artikel; de afwijking moet kunnen verantwoord worden op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Men zou dan alleszins abstractie moeten maken van volgende principes of achterliggende gronddoelstellingen:
· Vlaanderen open en stedelijk
· Gedeconcentreerde bundeling
· Maximaal openhouden van de niet-bebouwde ruimte
· Kantoren aan knooppunten van het openbaar vervoer
In hoofdstuk 3 van deze scriptie werden de principes van het RSV reeds getoetst aan het project headquarterszone.
Waar het de GOM West-Vlaanderen was die poogde via een gewestplanherziening de headquarterszone mogelijk te maken, heeft de gemeente (in een poging het initiatief in eigen handen te houden) gepoogd via een BPA het gebied de juiste bestemming te geven en van het gewestplan af te wijken. Er werden voor dit gebied twee BPA’s opgesteld:
1. BPA ‘Chartreuseweg Oost’ is goedgekeurd([13]). Betreft het gebied begrensd door de expresweg, Rijselstraat, Heidelbergstraat, Jagersstraat en Koning Albertlaan.
2. BPA ‘Chartreuseweg West’ (nooit goedgekeurd). Betreft het gebied begrensd door Koning Albertlaan, expresweg, autosnelweg E40 en spoorweg Brugge-Kortrijk (NMBS Lijn nr 66)
Ad 1. BPA ‘Chartreuseweg Oost’ is goedgekeurd en vormt in feite een compensatie voor het groengebied dat zou verdwijnen door BPA ‘Chartreuseweg West’. Door de goedkeuring van dit BPA wordt het meest zuidelijke gebied (tussen Chartreuseweg, expresweg, Rijselstraat en Heidelbergstraat) herbestemd tot agrarisch gebied. De compensatie bestaat hieruit dat een kleine zone woongebied herbestemd wordt tot agrarisch gebied. Dit kan ook nagegaan worden op de kaart van de gewenste ruimtelijke structuur van Sint-Michiels, die als bijlage 13 is opgenomen. In het noordelijk gedeelte van dit BPA (met de loop van de Oude Kerkebeek) wordt een strook natuurgebied echter herbestemd tot woongebied (soort regularisatie van het bestaande bebouwingslint langs de Rijselstraat) en eveneens een kleine oppervlakte tot gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen (regularisatie van het Aquafin-pompstation langs de Rijselstraat). Op de door dit BPA doorgevoerde ‘compensatie ten voordele van de open ruimte’ wordt nog teruggekomen in hoofdstuk 5 (5.5.3).
Ad 2. BPA ‘Chartreuseweg West’ is niet goedgekeurd. Op dit BPA wordt de headquarterszone begrensd. De begrenzing (oppervlakte headquarterszone: ±22 ha) is bij benadering overgenomen in bijlage 2. De zone strekt zich duidelijk maximaal uit langs de expresweg (zichtlocaties!), het bestaande Smisjesbos wordt ontzien([14]). De headquarterszone wordt in het westen begrensd door de cultuurhistorisch belangrijke hoeve Groot Magdalenagoed. Wegens het groot historisch (en ecologisch) belang van deze hoeve moet ze alleszins ontzien worden. Ook de woningen langs de Chartreuseweg worden ontzien.
Het is niet zo dat dit BPA het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen (zoals het bestemd is op het gewestplan) wijzigt in dienstenzone. Het BPA liet de gewestplanbestemming in feite ongemoeid, maar voorzag in een omranding waarbinnen headquarters zouden mogen gevestigd worden. Er is veel kritiek gekomen op deze niet-eenduidige manier van werken([15]). Het voordeel ervan is dat, mocht de headquarterszone er toch niet komen, de landbouwers dan rustig voort zouden kunnen boeren; het BPA voorzag namelijk dat in afwachting tot realisatie het gebied kan gebruikt worden voor agrarische activiteiten. Het is in feite een manier om de harde eindtoestandsplanning, eigen aan de plannen van aanleg, te omzeilen.
Voor het gebied ten zuiden van de Heidelbergstraat (en ten noorden van de spoorweg) voorziet het BPA wel een echte bestemmingswijziging, van gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen naar agrarisch gebied en een beetje woongebied (regularisatie van de bestaande situatie).
Het BPA ‘Chartreuseweg West’([16]) voorzag nog in volgende belangrijke ruimtelijke beperkingen wat het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen (waarbij de omrande zone voor headquarters) betreft:
· Bebouwingsdichtheid: maximum 30% bezetting
· Bebouwing met maximum drie bouwlagen
· Dakvorm: ofwel plat (£ 2% dakhelling) ofwel hellend (tussen 30% en 60%)
· Minstens 1 boom per 5 parkeerplaatsen
· Minstens 30 meter afstand tot de rooilijn van de rijksweg N31
· Maximale vrijwaring van de waardevolle hoeven (en specifiek het Groot Magdalenagoed)
· Minstens 30% groenzone (waarvan minstens 15% bezet met hoogstammig streekeigen groen)
Een headquarterszone kan niet zonder meer ingeplant worden op het beschouwde terrein daar het gewestplan Brugge-Oostkust een andere bestemming voor het terrein voorziet. Een gewestplanwijziging is niet meer mogelijk. Ook is het wegens de uitgestrekte oppervlakte en het belang van het project onmogelijk om met een BPA af te wijken van het gewestplan.
Dit alles betekent dat er zal moeten gewacht worden op een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het zal niet om een gemeentelijk RUP gaan, daar de headquarterszone duidelijk het gemeentelijke belang overschrijdt. Daar het beoogde terrein in een regionaalstedelijk gebied zal liggen([17]) zal het om een gewestelijk RUP gaan.
Bij de afbakening van het regionaalstedelijk gebied zullen er bijkomende taakstellingen opgenomen worden, ook wat betreft de regionale bedrijventerreinen. Volgens het principe van de subsidiariteit zal deze materie op gewestelijk niveau geregeld worden en moet er dus ook in het geval van de headquarterszone op een gewestelijk RUP gewacht worden.
Er bestaat echter onduidelijkheid over de graad van detail die deze RUP’s zullen hebben. Waarschijnlijk zal er toch nog een (lager) gemeentelijk RUP moeten opgemaakt worden([18]).
Aan het RUP zal een onteigeningsplan gekoppeld zijn. Zo kan de beoogde oppervlakte in handen komen van de projectontwikkelaar, bijvoorbeeld de West-Vlaamse Intercommunale WVI, die kan instaan voor de voorbereidende werken (wegenis, nutsleidingen, nivelleringswerken) en de gronden kan verkopen aan geïnteresseerde bedrijven.
Die bedrijven zullen een bouwvergunning (stedenbouwkundige vergunning) moeten aanvragen voor ze kunnen bouwen op het terrein. Deze aanvraag zal behandeld worden door de gemeente Brugge en getoetst worden aan het opgemaakte (gewestelijke) ruimtelijke uitvoeringsplan. De geplande constructie waarvoor de bouwvergunning aangevraagd wordt moet conform zijn aan de voorschriften van het opgemaakte gewestelijke RUP([19]). De vergunningsverlening zal wellicht volgens de procedure van het nieuwe decreet([20]) behandeld worden. Zoals reeds onder 3.3 vermeld, staat Brugge al vrij ver wat de kwaliteitseisen betreft.
Het feit dat er een gewestelijk RUP zal nodig zijn wil nog niet zeggen dat het gemeentelijke BPA ‘Chartreuseweg West’ (niet goedgekeurd) tijdverlies is geweest. Er wordt verwacht dat dit BPA inspirerend kan werken op het gewestelijke RUP, zeker indien ook gewestelijke RUP’s met een grote mate van detail zullen opgemaakt worden (er zal erg veel werk zijn op gewestelijk niveau, om al die toch wel erg lokale RUP’s op te maken).
De vraag blijft natuurlijk hoe men, indien er een gewestelijk RUP zou komen die de komst van de headquarterszone mogelijk maakt, dat kan verantwoorden aan de hand van de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, nu de ministers Stevaert en Van Mechelen duidelijk hebben gesteld dat een headquarterszone op die plaats ingaat tegen die principes (zie onder 4.2.1).
Zonder de volledige procedure voor de realisatie van de kantorenzone hier te willen bespreken, som ik hier kort de belangrijkste punten op:
· De bouwvergunningsaanvraag moet gericht worden aan het college van burgemeester en schepenen van Brugge (Art. 106 van het nieuwe decreet).
· Moest de aanvraag uitgaan van de GOM West-Vlaanderen, een publiekrechtelijke rechtspersoon, moet de aanvraag ingediend worden bij de Vlaamse Regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (Art. 127 van het nieuwe decreet).
· Een openbaar onderzoek zal wellicht niet nodig zijn (wat niet wil zeggen dat de burger geen bezwaar meer kan aantekenen tegen de headquarterszone; zo zal het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door de Vlaamse regering onderworpen moeten worden aan een openbaar onderzoek([21]) en kan de burger ook nog steeds in beroep gaan).
· Na het inwinnen van de vereiste adviezen en de opmaak van een uitgebreid verslag door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar zal het college van burgemeester en schepenen beslissen over de vergunningsverlening.
We besluiten dit hoofdstuk door kort in te gaan op twee onduidelijke zaken; moet er een verkavelingsvergunning aangevraagd worden voor de realisatie van de headquarterszone en is er m.e.r.-plicht?
Bij de aanleg van een bedrijventerrein is het om onduidelijke redenen blijkbaar niet nodig om een verkavelingsvergunning aan te vragen. Er zal voorafgaand wel een BPA([22]) of RUP opgemaakt moeten worden. Met dat plan moet ook een onteigeningsplan samengaan. Blijkbaar is dit voldoende en hoeft een verkavelingsvergunning niet. Wel moet er uiteraard een stedenbouwkundige vergunning (de nieuwe term voor ‘bouwvergunning’) aangevraagd worden voor elke constructie. Deze vergunningsaanvragen zullen getoetst worden aan het opgemaakte BPA / RUP (zie boven).
“De werkingssfeer (m.e.r.-plicht) in Vlaanderen is principieel gekoppeld aan de vergunningsverlening, wat betekent dat de m.e.r.-plichtige activiteiten duidelijk omschreven projecten zijn. […] De m.e.r.-plichtige activiteiten vallen uiteen in twee grote groepen. Enerzijds zijn er bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen. […] Anderzijds zijn er de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen – hierna kortweg ‘infrastructuurwerken’ genoemd.”([24])
De headquarterszone zou kunnen opgevat worden als behorend tot zo een categorie van werken en handelingen, en wel om de volgende reden (7°):
“Werken voor
stadsprojecten waarin de afbraak, bouw of verbouwing, geprojecteerd is in een aaneengesloten
gebied en die betrekking hebben op:
- ofwel 2.000 of meer woningen;
- ofwel een totale oppervlakte van 10 ha;
-
ofwel kantoorruimten met een totale
bruto vloeroppervlakte van 100.000 m² of meer.”([25])
Het geciteerde werk geeft ook direct enkele relevante verduidelijkingen:
- “stadsproject: project in stedelijk of verstedelijkt gebied
- gebied: geheel of gedeeltelijk bebouwd of onbebouwd en geheel of gedeeltelijk gelegen binnen het stedelijk gebied of er onmiddellijk bij aansluitend
- aaneengesloten gebied: geheel van aaneengesloten, al dan niet bebouwde terreinen (dus niet gefragmenteerd).”([26])
Deze omschrijving laat echter aanvoelen dat er toch geen MER nodig zou zijn omdat het project geen stadsproject zou zijn. De omschrijving “afbraak, bouw of verbouwing” doet vermoeden dat de term “stadsproject” betrekking heeft op een stadswijk (of iets dergelijks) die helemaal heringericht wordt (soort stadsherwaarderingsproject).
De verduidelijking bij ‘stadsproject’ (project in stedelijk of verstedelijkt gebied) mag ook niet te letterlijk opgevat worden. De site zal zeker in het ‘stedelijk gebied’ gelegen zijn als men dat begrip beleidsmatig interpreteert zoals in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Hier gaat het wellicht eerder om een morfologische benadering, waardoor ‘stedelijk gebied’ hier waarschijnlijk moet opgevat worden als gebied met een grote bebouwingsdichtheid.
De term (i.p.v. ‘stadsproject’) die in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen gebruikt wordt is ‘strategisch stedelijk project’. Ook hier doen enkele opgesomde kenmerken en een dosis interpretatievrijheid vermoeden dat het hier niet om een dergelijk project gaat. In de ‘begrippenlijst’ van het RSV([27]) staat immers vermeld dat een dergelijk project:
1. het kwaliteitsniveau van de gewenste ontwikkeling van het stedelijk gebied moet weergeven.
2. Het moet gaan om een performante voorbeeld- en signaalfunctie voor andere delen van het stedelijk gebied.
3. Het moet een project zijn met een functionele, ruimtelijke en administratief-institutionele complexiteit die de mogelijkheden van het lokale bestuur voor de realisatie ervan overstijgt.
Ad 1. De headquarterszone geeft geen kwaliteitsniveau aan voor de gewenste ontwikkeling van het stedelijk gebied. Dat is een te ruime interpretatie van het belang van het project.
Ad 2. Hier kan hetzelfde gesteld worden. De geplande headquarterszone is zeker geen voorbeeldfunctie voor andere delen van het stedelijk gebied. Het kan niet de bedoeling zijn overal in het stedelijk gebied headquarterszones te laten ontstaan. Wel kan het project fungeren als kwaliteitsnorm voor de aanpak op andere plaatsen in het stedelijk gebied. Dit is niet hetzelfde.
Ad 3. De realisatie van de headquarterszone is niet van een dergelijke complexiteit dat het de competentie van het lokale bestuur overstijgt. Deze bewering wordt vooral door andere voorbeelden bewezen. Het strategisch stedelijk project ‘Oosteroever’ in Oostende-Bredene bijvoorbeeld is duidelijk veel complexer dan de headquarterszone, waar men op 'maagdelijke grond' een bedrijventerrein voor kantoren wil realiseren.
Het project ‘headquarterszone’ zal vermoedelijk niet beschouwd worden als een ‘stadsproject’ of een ‘strategisch stedelijk project’, waardoor er om die reden geen sprake is van m.e.r.-plicht. Moest het gaan om een bedrijventerrein groter dan 100 ha was er wel een MER nodig geweest. Dat is echter niet het geval.
Moest er om een of andere reden beslist worden om de beoogde ruimte uit te breiden en om ook de bosjes (Smisjesbos, gelegen langs de Heidelbergstraat) in te nemen dan is er wel een MER nodig indien men zou beslissen die bosjes te rooien([28]).
Conclusie: interpretatie van bestaande bronnen doet vermoeden dat er geen MER moet opgemaakt worden voor de realisatie van de headquarterszone. Het is echter duidelijk dat zolang er geen concrete plannen zijn voor het project er moeilijk een eenduidige uitspraak kan gedaan worden.
[1] Gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen of woongebied; ook in deze laatste ‘vermengingsgebieden' kunnen openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen voorkomen.
[2] Koninklijk Besluit van 28 december 1972, Belgisch Staatsblad 10-02-1973
[3] “De bepalingen betreffende het opmaken van de plannen van aanleg zijn van toepassing op de herziening ervan.” (Art. 41 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996)
[4] Brief (gedateerd 11 februari 1993) van dhr. W. Galle aan dhr. M. Cherretté, Bestuursdirecteur BNO (Bestuur Natuurbehoud en –ontwikkeling, AMINAL, Departement LIN)
[5] Antwoord van minister Steve Stevaert (Vlaams minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening) op de parlementaire vraag nr. 168 van 2 februari 1999 van Joachim Coens.
[6] Antwoord van minister Dirk Van Mechelen (Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media) op een parlementaire vraag van Joachim Coens.
[7] En, ondanks het duidelijke antwoord van Minister Van Mechelen aan Dhr. Joachim Coens, was de ontgoocheling in Brugge toch groot. Burgemeester Patrick Moenaert noemde zich op een informatievergadering “zwaar ontgoocheld, jazelfs ‘woest’ over deze gang van zaken” (Artikel “Headquarterzone terug naar af”, Brugsch Handelsblad, 12 mei 2000)
[8] Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, Art. 14, 7°
[9] Bouckaert, B. & De Waele, T., Ruimtelijke Ordening & Stedenbouw in het Vlaamse Gewest, pp. 81-82
[10] Men kan zich afvragen of hier de analogie kan gevolgd worden met het reeds vermelde artikel 20 van het KB van 28 december 1972 inzake de afwijkingsmogelijkheid ten opzichte van het gewestplan voor bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen. In de rechtspraak wordt hierbij de regel gehuldigd dat er een dringende en absolute noodzaak moet bestaan. Een noodzaak is hierbij niet langer dringend na maanden-, (eventueel jarenlange) voorstudies, eventueel met MER-raporten e.a…. zodat dan geen gebruik meer kan gemaakt worden van artikel 20. Analoog zou men kunnen stellen dat na 10 jaar bakkeleien over de headquarterszone het ook hier niet langer om een nieuwe planologische nood kan gaan.
[11] Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij de decreten van 28 september 1999, 22 december 1999 en 26 april 2000.
[12] Uit: Bouckaert, B. & De Waele, T., 2000, pagina 82
[13] MB 26/01/1996 (Definitieve goedkeuring van BPA 30 ‘Chartreuseweg Oost’)
[14] Het Smisjesbos is eigendom van Waters en Bossen en kan dus slechts na een decreet ontbost worden om er een kantorenzone te vestigen.
[15] Er werd kritiek geleverd door GOM West-Vlaanderen en door AROHM Afdeling Ruimtelijke Planning
[16] Voor alle duidelijk: het BPA werd nooit goedgekeurd
[17] De afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge moet nog gebeuren en zal gebeuren vanaf begin 2001 (volgens Dhr. D. Verté, Dienst Urbanisatie Stad Brugge)
[18] Mondelinge mededeling door Dhr. D. Verté (Dienst Urbanisatie Stad Brugge) op 17 juli 2000
[19] Er wordt in het nieuwe decreet immers nergens melding gemaakt van afwijkingsmogelijkheden ten opzichte van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Zie Artikel 195 van het nieuwe decreet.
[20] Hiermee wordt steeds bedoeld het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij de decreten van 28 september 1999, 22 december 1999 en 26 april 2000
[21] Art 42 § 2 van het nieuwe decreet
[22] Zoals reeds vermeld kan er principieel wegens artikel 165 van het nieuwe decreet nog steeds met een BPA afgeweken worden van een gewestplan
[23] Dank aan Dhr. J. Hemschoote (GOM West-Vlaanderen) voor het advies hieromtrent.
[24] Aminal, september 1997, pp. 53-54
[25] Aminal, september 1997, p. 63
[26] Aminal, september 1997, p. 63
[27] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, pg. 566
[28] De omzendbrief van 18 oktober 1989 verplicht de opmaak van een MER voor de rooiing van bossen met het oog op een ander bodemgebruik voor zover de te rooien bosoppervlakte meer dan 3 ha bedraagt.