Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) (op 23 september 1997 definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering) is het eerste ruimtelijk beleidsplan op lange termijn van de Vlaamse overheid. Vanzelfsprekend bevat het RSV heel wat ideeën en principes die relevant zijn voor deze thesis. Niet alles kan hier aangehaald worden; een selectie werd doorgevoerd.
In het RSV blijkt duidelijk dat de vraag naar een headquarterszone (in Brugge) logisch is en past in een tertiairiseringstrend die gepaard gaat met een trend naar differentiatie en 'image-building' van bedrijventerreinen. De geplande locatie voor de headquarterszone is echter veel minder logisch...
Eerst wordt nagegaan wat het RSV vermeldt met betrekking tot de tertiairiseringstrend en de behoefte aan toenemende differentiatie en hoger imago van bedrijventerreinen.
Aan de hand van drie citaten uit het RSV wordt hier verduidelijkt wat met deze tertiairiseringstrend bedoeld wordt en wat de gevolgen ervan zijn.
"Voor wat betreft het toekomstig ruimtegebruik voor handel en kantoren worden er geen specifieke prognoses uitgewerkt. Wel wordt er vertrokken van de hypothese dat de tertiairiseringstrend, zoals die zich tussen 1980 en 1992 voordeed, zich verderzet tot 2007."([1])
"Trendmatig is haast nog een verdubbeling van de kantoorruimte te verwachten, waarvan vier vijfde in de steden."([2])
"De totale terreinoppervlakte voor
kantoorfunctie in Vlaanderen bedraagt ca 630 ha in 1992 tegenover 263 ha in
1982. De toename is overwegend opgevangen in de steden en met name
in het Vlaams stedelijk kerngebied, in Gent, in het arrondissement
Halle-Vilvoorde en in het arrondissement Leuven."([3])
Blijkbaar gaat de tertiairiseringstrein steeds sneller. Brugge, of zelfs West-Vlaanderen, lijken hier wat achterop te lopen.
Ook hier citeren we het RSV: "De behoefte aan differentiatie en een hoger imago van bedrijventerreinen neemt toe. De architecturale kwaliteit van het gebouwencomplex en de kwaliteit van de omgeving van het bedrijf worden een onderdeel van het publieke communicatieproces en van de marketingstrategie van het bedrijf. Dat geldt zowel voor kantoorgebouwen in stedelijke omgevingen, als voor bedrijventerreinen in de periferie en voor locaties in de open ruimte."([4])
Zowel de differentiatie ('headquarterszone': bedrijventerrein specifiek voor headquarters) als een streven naar een hoog imago zijn hier aan de orde. Blijkbaar gaat het om een algemene trend, die we positief tegemoet kunnen zien. Door differentiatie kàn immers een optimaler locatiebeleid gevoerd worden (door transportzones aan hoogwaardige autosnelweglocaties te realiseren, headquarterszone aan knooppunten van openbaar vervoer) en kàn het profiel van de terreinen verbeterd worden, waardoor ook een hoger imago kan nagestreefd worden, wat op zijn beurt de ruimtelijke kwaliteit bevordert.
Blijkbaar is het vanuit het oogpunt van economische competitie ook logisch dat Brugge vraagt om een headquarterszone:
"Kenmerkend voor het Brusselse stadsgewest is de aanwezigheid van een brede waaier van activiteiten en de grote beslissingskracht (EDP = economic decision power) omwille van de aanwezigheid van hoofdkwartieren."([5])
"De EDP van het stadsgewest Brugge is evenwel klein."([6]) Het zou daarom van groot belang zijn voor Brugge mocht ze headquarters van internationaal belang kunnen aantrekken.
"Brugge heeft een minder gunstige
ligging ten opzichte van de huidige stedelijke ontwikkelingen van Europese
betekenis (hoogwaardige investeringen, internationale bedrijvigheid, logistieke
en knooppuntfuncties,...). Sterk punt is evenwel haar cultureel patrimonium,
haar imago en toeristisch profiel. Daarnaast heeft de zeehaven van Zeebrugge
belangrijke economische potenties."([7])
Veel minder logisch is echter de gekozen locatie voor de headquarterszone. In volgende punten wordt aangetoond dat volgens het RSV de headquarterszone (kantorenzone) moet liggen aan een knooppunt van openbaar vervoer, dat de locatie een versterking moet betekenen van de stedelijke structuur en dat de beoogde locatie aan de Chartreuseweg niet logisch is, gezien vanuit de locatiebeleid-theorie.
"Kantoorvoorzieningen zijn
activiteiten met een groot aantal arbeidsplaatsen per oppervlakte-eenheid en
dus met een dicht ruimtegebruik. Dergelijke voorzieningen genereren niet te
verwaarlozen verkeersstromen. Daarom
worden deze voorzieningen zoveel als mogelijk geconcentreerd op belangrijke
knooppunten van openbaar vervoer."([8])
Het RSV pleit er indirect zelfs voor de
headquarterszone in de stationsomgeving te lokaliseren (zie 6.1.1 voor de
bespreking van deze alternatieve locatie): "In de stedelijke gebieden en
de stedelijke netwerken hebben stationsomgevingen een strategische ligging.
Rond de hoofdstations wordt een hogere dichtheid en de lokalisatie van
personenvervoergerichte activiteiten nagestreefd. Het gebied waar een hogere dichtheid en de lokalisatie van
personenvervoergerichte activiteiten wordt nagestreefd, komt maximaal overeen
met een perimeter van ca 1.000 m in de regionaalstedelijke en kleinstedelijke
gebieden. [...] Binnen deze gebieden wordt bij prioriteit, en met inachtname
van de leefbaarheid van het gebied, de verwachte toename in kantoren en in
handel en diensten opgevangen. In de
respectievelijke afbakeningsplannen voor de stedelijke gebieden wordt deze
perimeter rond de hoofdstations aangeduid."([9])
Het is duidelijk dat de locatie die
momenteel beoogd wordt geen knooppunt van openbaar vervoer is en dat het,
tenzij er een expansieve verstedelijking optreedt, ook nooit een (rendabel)
knooppunt van openbaar vervoer kan worden. Aan de andere kant kan er, wegens de
aard van de kantoren en de te verwachten tewerkstelling, ook aan getwijfeld
worden of openbaar vervoer een belangrijke rol in de verplaatsingen naar en van
de headquarterszone zal spelen. Deze nuchtere bemerking doet echter niets af
aan de noodzaak om headquarters aan knooppunten van openbaar vervoer te
lokaliseren. Deze bedrijven zullen immers vooral bezocht worden door de
werknemers zelf (er zijn geen loket- of handelsactiviteiten toegelaten) en voor
dergelijke pendelbewegingen is openbaar vervoer een logische
verplaatsingsmodus. Juist het lokaliseren van de headquarterszone aan de
Chartreuseweg maakt het onwaarschijnlijk dat werknemers zich met het openbaar
vervoer verplaatsen. Dit wordt direct anders moest de headquarterszone in de
stationsomgeving gerealiseerd worden.
Hierboven werd reeds vermeld dat
differentiatie van bedrijventerreinen kan leiden tot een beter toepasbaar
locatiebeleid. Voor een zone specifiek voor headquarters moet dan wel een
knooppunt van openbaar vervoer gekozen worden. Anders wordt het belang van deze
differentiatie uitgehold.
De strijdigheid met het principe "kantoren aan knooppunten openbaar vervoer" is een belangrijke reden waarom de headquarterszone niet opgenomen werd bij de gewestplanwijziging van 1996 (zie 4.2.1).
De steden en de open ruimte([10]) zijn twee belangrijke elementen in de Vlaamse ruimte. Met de metafoor 'Vlaanderen, open en stedelijk' wordt bedoeld dat er zal gestreefd worden naar een duidelijker scheiding tussen stad en platteland. Uitgangspunten daarbij zijn het herwaarderen van het stedelijk weefsel en het maximaal vrijwaren van de open ruimte. "Geopteerd wordt om in die delen met een stedelijk karakter een "stedelijk - gebiedbeleid" te voeren met specifieke stedelijk-gebiedsmaatregelen en in die delen met een buitengebiedkarakter een "buitengebiedbeleid" te voeren met specifieke buitengebiedmaatregelen."([11])
In deze bepaling zijn reeds de 'vrijheidsgraden' van de metafoor opgenomen; alles hangt af van de afbakening van het stedelijk gebied (een beleidsmatig begrip). De vraag naar de wenselijkheid om op de beoogde locatie ontwikkelingen te stimuleren en te concentreren zal de doorslag moeten geven om te bepalen of de locatie tot het regionaalstedelijk gebied Brugge behoort. Er is namelijk op die plaats geen sprake van een intense verweving([12]) tussen verschillende menselijke activiteiten en ook is er geen dichte bebouwing, waardoor het zonder meer vanzelfsprekend zou zijn dat de locatie tot het stedelijk gebied zou behoren.
Kantoren (dé stedelijke voorzieningen voor concentratie bij uitstek([13])) dienen de bestaande stedelijke structuur te versterken en horen niet thuis in de open ruimte. Ze kunnen wegens hun aard verweven worden met andere stedelijke functies zoals wonen, winkelen, werken. "De ruimtebehoefte voor kantoren richt zich niet naar bedrijventerreinen, maar is te situeren in verwevenheid met andere functies in stedelijke gebieden."([14])
Het is duidelijk dat de realisatie van de headquarterszone op de beoogde locatie ingaat tegen het principe 'Vlaanderen, open en stedelijk'. Door de inplanting van een bedrijventerrein op deze plaats wordt de openruimte-verbinding tussen Loppem en Brugge doorknipt.
Ook is de precedentfunctie van de headquarterszone te vrezen, en zou de zone wel eens een nieuwe initiator van stedelijke dynamiek - op de verkeerde plaats - kunnen zijn. Als gevolg daarvan zouden Brugge en Loppem wel eens helemaal met elkaar kunnen vergroeien. Nochtans was het bewaren van de open ruimte rond Brugge steeds een prioriteit voor de stad (zie verder onder 3.3).
Ook de strijdigheid met dit principe ("kantoren dienen de bestaande stedelijke structuur te versterken") is een reden waarom de gewestplanbestemming van het gebied niet veranderd werd bij de gewestplanwijziging van 1996 (zie 4.2.1).
Men kan zich echter afvragen of in Brugge kantoren wel binnen de stadskern (en meer precies binnen de CBD - het Central Business District, de centrumwijken met overwegend tertiaire activiteiten als kleinhandel en kantoren) kunnen gelokaliseerd worden. De Brugse stadskern is historisch van groot belang en zal binnenkort waarschijnlijk integraal als UNESCO-werelderfgoed beschermd worden. Een geschikte locatie wordt dus beter iets meer excentrisch gezocht; binnen de morfologische agglomeratie aan een knooppunt van openbaar vervoer en met een behoorlijke autobereikbaarheid. Wel moet de locatie aansluiten bij het stedelijk weefsel en moet dus niet in de open ruimte gezocht worden.
Algemeen wordt er in het RSV vanuit gegaan dat de nog aanwezige onbebouwde ruimte moet gevrijwaard worden en waar mogelijk versterkt. Dit geldt ook voor de stedelijke open ruimte, die dikwijls als een restruimte opgevat wordt: "In het stedelijk conglomeraat is er een sterke druk op de niet-bebouwde ruimte. Vanuit de logica van de functies is elke bereikbare niet-bebouwde ruimte een potentiële vestigingsplaats. Dit geldt zowel voor de gebieden van de natuurlijke structuur als voor de gebieden van de agrarische structuur. De invulling van een niet-bebouwde ruimte leidt tot de versnippering van de open ruimte als geheel. Er komen steeds minder aaneengesloten openruimte-gebieden voor. Slechts een beperkt aantal natuurlijke barrières (zoals vochtige riviervalleien) die deel uitmaken van de natuurlijke structuur, zijn voorlopig de enige rem op de verdere aansnijding van de open ruimte."([15])
Het RSV pleit er hier ook duidelijk voor dat er een zekere identiteit aan de open ruimte moet gegeven worden, zodat de open ruimte sterker staat tegen de verstedelijkingsdruk. Blijkbaar (en helaas) vormt een agrarisch gebruik van deze openruimte-gebieden geen voldoende sterke identiteit.
Dit locatiebeleid wordt in het RSV als
volgt omschreven: "Het mobiliteitsprofiel van een bedrijf wordt bepaald
door de omvang van de gegenereerde verkeers- en vervoersstromen en de kenmerken
van de gebruikte vervoermiddelen. Activiteiten met een hoog aantal werknemers
en/of bezoekers per hectare veroorzaken sterk geconcentreerde verkeersstromen.
Voorbeelden zijn onderwijsinstellingen, culturele voorzieningen, kantoren voor
zakelijke of persoonlijke dienstverlening of overheidskantoren. Activiteiten
met een laag aantal werknemers en/of bezoekers per hectare veroorzaken
daarentegen zwak geconcentreerde verkeersstromen. Voorbeelden zijn
distributiebedrijven en sterk geautomatiseerde bedrijven. Dergelijke bedrijven
genereren daarnaast meer vrachtvervoer. Een beter locatiebeleid kan hieraan een
oplossing bieden."([16])
In het deel over het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (3.3) wordt dit locatiebeleid nog concreter gemaakt. Ook daar zal blijken dat voor de headquarterszone andere locaties (en bijvoorbeeld de stationsomgeving) beter kunnen zijn. Dit locatiebeleid werd concreet uitgewerkt bij de bespreking van de bezwaren (in 5.1).
In het RSV staat dit minder duidelijk en minder direct geformuleerd: "Het locatiebeleid moet voorop staan bij differentiatie van bedrijventerreinen. Dit betekent met name dat de ontwikkeling van kantoor- en dienstenzones en kleinhandelszones als specifieke regionale bedrijventerreinen in de eerste plaats in de stedelijke gebieden plaatsvindt onder meer omwille van hun multifunctioneel karakter en de aanwezigheid van hoogwaardige verkeers- en vervoersinfrastructuur (waaronder openbaar vervoer)."([17])
Twee documenten zijn hierbij van belang. Het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone (zie 3.2.1) is een voorstudie die dienstig is geweest bij de opmaak van het PRS-WV. De studie heeft betrekking op het deelgebied 'kustzone'. Het tweede document is het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen (zie 3.2.2, de geraadpleegde versies zijn 'Tussentijds Document 3', juni 1999 en 'Voorstel van Ontwerp Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan', juni 2000).
Het provinciaal ruimtelijk structuurplan werd op 29 juni 2000 voorlopig vastgesteld. De verplichte periode van openbaar onderzoek zal lopen van midden september tot midden december 2000. Hiervoor zouden nog diverse hoorzittingen voor het publiek georganiseerd worden.
Het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone (afgewerkt in 1994; in feite gaat het hier om een mengvorm tussen een structuurplan en een uitvoeringsplan([18])) past perfect in de evolutie van het gewenste project zoals geschetst in het vorige hoofdstuk. Het plan voorziet in een specifieke dienstenzone met een aanbod voor headquarterfunctie, diensten én volumineuze handel, in één zone met interne verscheidenheid. Zoals reeds vermeld, wordt in de huidige plannen enkel nog van een headquarterszone gesproken.
Opvallend is de ambiguïteit die het plan naar voor brengt wat het project betreft. Enerzijds wordt het belang van de open ruimte verschillende keren benadrukt, anderzijds promoot men de headquarterszone. De noodzakelijke overgang tussen beide uitgangspunten wordt op verschillende plaatsen op subtiele wijze gemotiveerd. Het is echter duidelijk dat bij de opmaak van de studie moest rekening gehouden worden met onverzoenbare meningen...
Eerst wordt, aan de hand van enkele geciteerde delen, nagegaan hoe het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone staat ten opzichte van de open ruimte.
"De open ruimte wordt op veel plaatsen bedreigd door diverse vormen van bebouwing. Grosso modo zijn er twee situaties te onderscheiden. Een eerste situatie is deze waarbij via lintbebouwing en verspreide wildbouw de open ruimte tussen de kernen een diffuus karakter krijgt. [...] Een tweede situatie ontstaat rond sterk verstedelijkte zones waar vanuit deze verstedelijking een tendens tot uitbreiding wordt genoteerd ten koste van de omringende open ruimte. Deze verstedelijkingsdruk manifesteert zich vooral aan de zuidrand van de Brugse agglomeratie. [...] De noodzaak om de (plaatselijk nog slechts beperkte) open ruimte maximaal te behouden en zelfs te versterken en om het aan elkaar kitten van bebouwingsconcentraties te voorkomen wordt op de kaart benadrukt door de indicatieve pijlen 'Te benadrukken kontinuïteit van open ruimte onder verstedelijkingsdruk'."([19])
De plankaart met deze pijl is opgenomen in bijlage 11. De ingekleurde headquarterszone (de 'd' staat voor dienstenzone) doet duidelijk afbreuk aan deze pijl. In het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone wordt trouwens ook met woorden het belang van deze pijl genuanceerd: “Voor de agglomeratie Brugge is het vanuit planologisch oogpunt wenselijk aan de rand van de huidige morfologische agglomeratie openheid te vrijwaren, zonder de adekwate uitbouw van de eigen functies van de stad Brugge als regionaal verzorgend centrum in het gedrang te brengen.”([20])
Vervolgens wordt op verschillende plaatsen gemotiveerd waarom afgeweken kan worden van bovenstaand principe van bescherming van de open ruimte. Eerst wordt bewezen dat er nood is aan een specifiek bedrijventerrein voor dienstverlening:
Het Struktuurplan Kustzone formuleert waarom er nood is aan een beleidsmatig afgebakende headquarterszone.
Verkeersproblemen in de binnenstad en de nood aan een gegarandeerde bereikbaarheid voor de dienstverlening maken een ligging in de CBD minder interessant. Voor deze ruimtebehoefte moet dus een specifiek aanbod worden gebracht, zodat het niet gefragmenteerd zonder enige aandacht voor verkeersmatige aspecten kan worden opgevuld. Er speelden zich in de voorbije jaren in de Brugse agglomeratie inderdaad processen af die in een commerciële lintbebouwing langs de invalswegen resulteren. Gevolgen daarvan zijn "ernstige konsekwenties qua verkeersveiligheid en –leefbaarheid."([21])
Vervolgens wordt ook verantwoord dat er nood is aan een specifiek bedrijventerrein voor 'volumineuze handel':
Het uitgangspunt blijft dat detailhandel (afgezien van de buurtverzorgende winkels) dient gelokaliseerd te zijn in de centra. "Er zijn echter grootschalige detailhandelsactiviteiten die niet in de eigenlijke winkelgebieden terechtkunnen of er behouden blijven en waarvan de locatie in de periferie geen nadelige gevolgen heeft op de bestaande verzorgingsstructuur. Voorbeelden hiervan zijn detailhandel in boten, meubelboulevards en andere vormen van volumineuze goederen."([22])
Volgens het Voorontwerp Struktuurplan
Kustzone wordt de nood aan het suburbaniseren van volumineuze handel in de
toekomst nog groter. Er zijn namelijk een aantal distributiebedrijven
(waaronder ook filiaalbedrijven van buitenlandse oorsprong) die een groot gamma
producten rechtstreeks aan de consument verkopen en die (mede door het
groeperen van aankopen) vrij volumineus van aard zijn, die door de consument
als niet meer bereikbaar met de wagen worden beschouwd als ze in het stadscentrum
zijn gelegen([23]).
"In het arrondissement Brugge is er behoefte aan bijkomende gronden voor een headquarterfunctie, voor hoogwaardige vormen van zakelijke dienstverlening, niet baliegebonden kantoren en voor bepaalde vormen van volumineuze handel."([24])
Het is duidelijk dat het Struktuurplan Kustzone hier de visie verdedigt die ook de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij lang verdedigde: ook grootschalige (volumineuze) handel zou op de headquarterszone een plaats kunnen krijgen. Dergelijke vestigingen hebben natuurlijk een zeer grote impact op allerhande verkeersstromen. Daarom is men van dat plan afgestapt en is men zich echt gaan beperken tot ‘headquarters’. Stad Brugge is nooit te vinden geweest om ook volumineuze handel toe te laten op de headquarterszone.
Er worden nog pogingen gedaan om te motiveren waarom een excentrische ligging van het specifiek bedrijventerrein te verantwoorden zou zijn:
"Een dergelijke ontwikkeling van de stadsrand is volgens het Struktuurplan Kustzone niet per definitie konkurrerend voor de binnenstad. Het is namelijk duidelijk geworden dat niet alles binnen het eigenlijke stadscentrum is op te vangen of kan worden gehouden."([25])
"Voor de dienstverlenende bedrijven
zijn bepaalde agglomeratiefaktoren en een goede bereikbaarheid doorgaans van de
grootste betekenis. De ruimtelijke ordening moet hier sterker dan in het
verleden de ontwikkeling en optimale leefbaarheid van de stedelijke centra
ondersteunen, door het tegengaan van onnodige verplaatsingen van
dienstverlenende bedrijven en het weren in het buitengebied van de vestiging
van typisch stedelijke bedrijven. Zones voor dienstverlenende bedrijven moeten
zoveel mogelijk in deze centra zelf worden voorzien. Hierbij kunnen uitbouw van
vestigingsmogelijkheden en stadsvernieuwing samengaan; hieraan moet de grootst
mogelijke steun worden gegeven. Aandacht moet worden gegeven aan het
verkeersaantrekkend karakter van sommige bedrijvigheden; in de dichtst bebouwde
delen van de binnenstad zal vestiging van dergelijke bedrijvigheden (onder meer
kantoorcomplexen) omzichtig moeten worden benaderd. Kantoren, arbeidsintensieve
bedrijven en voorzieningen die veel bezoekers aantrekken, moeten bij voorkeur
worden gevestigd bij knooppunten van openbaar vervoer in het stedelijk
gebied."([26])
"Een kernenversterkend beleid, met aandacht voor verwevenheid van funkties, sluit echter niet uit dat sommige vormen van dienstverlening en verkoop niet langer inpasbaar zijn in het fijnmazig weefsel van historisch gegroeide kernen. Wildgroei van dergelijke bedrijvigheden langs invalswegen en zichtlokaties langs autowegen en autosnelwegen moet worden tegengegaan. Aan "gebundelde ontmenging" kan op welgekozen plaatsen vorm worden gegeven."([27])
Men kan zich echter afvragen of deze gebundelde deconcentratie wel een maatschappelijke en ruimtelijke meerwaarde geeft als het kantoren (headquarters) betreft. Deze activiteiten kunnen gemakkelijk verweven worden met andere functies (wonen, werken, winkelen). Soms zijn 'lintlocaties' langs invalswegen te verkiezen boven concentratie. Zeker als deze bundeling ten koste gaat van open ruimte.
Daarna verantwoordt het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone expliciet de locatiekeuze aan de expresweg/Chartreuseweg:
"Het is duidelijk dat een headquarterszone een gunstige lokatie moet hebben op verkeerstechnisch vlak en dat het imago moet worden ondersteund door de ligging tegenover het stedelijk weefsel, de bereikbaarheid van het stadscentrum, door een ruime streekeigen groeninkleding en door een architekturaal voorkomen, met aandacht voor de schaal en het totaalbeeld.”([28])
"De oppervlakte van de zone laat toe externe schaalvoordelen – waarvoor koncentratie nodig is – te creëren, wat de hoge status ondersteunt.”([29])
De locatie ligt op ongeveer 3,5 km van het station van Brugge en is met openbaar vervoer (richting Loppem-Torhout) goed ontsloten. “De voorgestelde locatie is een locatie met grote omgevingskwaliteit, waar kan worden ingegaan op elementen zoals status, representativiteit, sfeer en voorzieningenniveau en die verkeerstechnisch uitstekend is.”([30])
Het Voorontwerp Struktuurplan Vlaanderen klaagt verder het tekort aan bedrijfsterreinen aan en verantwoordt hiermee dat de oppervlakte voor headquarterszone om een extra aanbod aan bedrijfsterreinen moet gaan:
Het Struktuurplan Kustzone haast zich vervolgens te melden dat het duidelijk moet zijn dat de headquarterszone een supplementair aanbod is ten aanzien van de behoefte aan bedrijventerreinen. Het gaat dus duidelijk om extra in te palmen gronden. De komst van een headquarterszone mag niet ten koste gaan van ‘gewone’ bedrijventerreinen. Deze eis wordt zelfs herhaald voor wat de dienstenzone en de zone voor volumineuze handel betreft: “De ruimte die moet worden aangeboden als dienstenzone en voor volumineuze handel is – zoals de behoefte voor de headquarterszone – supplementair ten aanzien van de statistisch bepaalde behoefte (op basis van de verkopen op bedrijventerreinen).”([31]) Ook de motivatie hiervoor werd reeds vroeger vermeld: “In de voorbije jaren zijn gronden immers hoofdzakelijk benut in de vorm van niet aanvaardbare lintbebouwing.”
Op de plankaart van het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone (bijlage 11) staat een pijl 'Te benadrukken continuïteit van open ruimte onder verstedelijkingsdruk'([32]) afgedrukt tussen de bebouwde Brugse agglomeratie en Loppem. Op dezelfde plaats (!) is de 'dienstenzone' aangeduid, op de manier waarop ze toen nog gepland was: grenzend aan zowel de E40, de Koning Albertlaan, de expresweg en de Chartreuseweg. Het is duidelijk dat de headquarterszone indruist tegen de hierboven geciteerde intentie van het streven naar een sterke openruimte-gordel tussen bebouwingsconcentraties.
Blijkbaar is het moeilijk om een locatie die inderdaad een grote omgevingskwaliteit heeft ongemoeid te laten. Het is echter moeilijk in te denken dat die omgevingskwaliteit blijft bestaan als er zich bedrijven (van welke aard dan ook) komen vestigen. Alleszins als men omgevingskwaliteit ook vanuit een ecologische invalshoek bekijkt.
Het toelaten van een headquarterszone zou een zoveelste precedent zijn; de open ruimte kan aangetast worden waar er andere belangen primeren. We zijn echter van mening dat binnen korte tijd overal waar nog open ruimte resteert andere belangen gaan primeren en men op die manier zal komen tot een Vlaanderen dat niet ‘open en stedelijk’ is maar tot een Vlaanderen dat slechts nog stedelijk is. De Brugse rand dreigt dicht te slibben; het proces begint op de meest interessante plaatsen. In dit geval een locatie met een uitstekende verkeerstechnische ligging. Aan dergelijke locaties zijn inderdaad grote opportuniteiten verbonden. Het is echter de vraag of een headquarterfunctie de best geschikte vorm van grondgebruik is op dergelijke locatie. Toekomstige opportuniteiten gaan verloren als men nu beslist er een headquarterszone uit te bouwen. Daarom is het ook vanuit 'duurzame ontwikkeling' aan te raden de open ruimte onbebouwd te laten.
In tegenstelling tot de ruime aandacht die in het Voorontwerp Structuurplan Kustzone besteed werd aan de headquarterszone blijkt duidelijk dat er in het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen geen aandacht is voor de behoefte aan een headquarterszone, en er andere prioriteiten voor het gebied worden naar voor gebracht.
In de ter hand genomen versies van het PRS-WV([33]) wordt met geen woord gesproken over het project. Wel wordt de nadruk gelegd op het belang van de open ruimte (en de natuur) voor het gebied.
- "De natuurlijke structuur ten zuiden van Brugge heeft een rol voor recreatief medegebruik, als buffer tegen de stedelijke ontwikkelingen van Brugge en als ruimte voor fauna en flora."([34])
- "... De natuurlijke structuur ten zuiden van Brugge wordt geoptimaliseerd door beheer en oppervlakte-uitbreiding van de aanwezige bossen en open ruimten."([35])
In het voorstel van Ontwerp PRS-WV (juni 2000) zijn blijkbaar geen dergelijke concrete gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven meer opgenomen bij de bespreking van de gewenste ruimtelijke structuur van de deelruimten.
In het PRS-WV worden ook de natuurverbindingsgebieden afgebakend (hoewel op Vlaams niveau de GEN-, GENO-, en natuurverwevingsgebieden nog niet afgebakend werden, en natuurverbindingsgebieden (en ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang) juist tot doel hebben deze 'natuuraandachtszones'([36]) te verbinden.
Bij de selectie van de natuurverbindingsgebieden gaat het in de omgeving van het studiegebied om
- het gebied rond Park van Loppem, de Wulgenbroeken en kasteel Schoonhoeve
- omgeving kanaal Gent-Brugge m.i.v. bos Ten Briele en de Kerkebeek([37])
In natuurverbindingsgebieden is de natuurfunctie ondergeschikt aan andere functies (doorgaans landbouw, bosbouw). Belangrijk zijn er de (aanwezigheid of ontwikkeling van) kleine landschapselementen.
Het PRS-WV breekt ook een lans voor randstedelijke landbouw in open-ruimteverbindingen: "de landbouw kan een functie vervullen als buffer tegen de verstedelijking [...]. Het moet hier echter gaan om economisch leefbare landbouwactiviteiten met de nadruk op grondgebondenheid. Deze open-ruimteverbindingen moeten strikt afgebakend worden als bouwvrije zones. Zo kunnen deze landbouwactiviteiten blijven bestaan en is de ruimtelijke kwaliteit ermee gediende."([38])
In het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan wordt de headquarterszone niet vermeld.
Dit betekent dat een belangrijke hefboom voor de regio Brugge, die éénparig door de Algemene Vergadering van het Streekplatform van het arrondissement Brugge werd goedgekeurd, niet is terug te vinden in het PRS-WV.([39])
Dit kan enigszins verklaard worden; het is de taak van het Vlaamse Gewest om tijdens het afbakeningsproces van de regionaalstedelijke gebieden een visie te vormen betreffende regionale bedrijventerreinen (zie ook 4.2.1). Deze bedrijventerreinen moeten voorts in gewestelijke RUP's vastgelegd worden.
Moest de provincie echter achter het project staan, had ze het wellicht toch ter sprake gebracht in haar structuurplan (net zoals de gemeente Brugge dat ook doet in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zie onder). In het PRS-WV (en dan vooral in de versie Tussentijds Document 3) wordt integendeel veel aandacht besteed aan de open ruimte ten zuiden van Brugge.
Veelzeggend is ook het verschil tussen het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone en de versies van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan. Men zou haast vergeten dat het Struktuurplan Kustzone een gebiedsspecifieke voorstudie is van het PRS-WV.
Het past hier even in te gaan op de stand van zaken betreffende de 'kwaliteitseisen' waaraan een gemeente moet voldoen om de nieuwe procedure qua vergunningenverlening te mogen toepassen. Artikel 193 van het decreet van 18/05/1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt die vereisten.
Wat het plannenregister betreft is er geen probleem; dat wordt reeds jaar en dag bijgehouden. Ook beschikt de stad reeds over een register van de onbebouwde percelen. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zit in een ver gevorderd stadium en staat (net als het PRS-WV) op het punt om in openbaar onderzoek te gaan. Ook wat de aanwerving van een gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar betreft worden geen problemen verwacht. De enige vereiste die grote problemen zou kunnen opleveren is het vergunningenregister. De eisen zijn hier nogal zwaar, zodat het enkele jaren werk zal vragen om er helemaal aan te voldoen([40]).
Brugge stelde reeds in 1973 een "Structuurplan voor de binnenstad" op en kan daardoor terecht als een pionier beschouwd worden wat structuurplanning betreft. Dit plan werd door de jaren heen herhaaldelijk herwerkt en vernieuwd. Ook werd het werkingsgebied uitgebreid van enkel de binnenstad tot de hele fusiegemeente.
Ook op 25 juni 1996 werd er een ruimtelijk structuurplan (zonder die juridische kracht; er was nog geen decreet dat structuurplanning voorzag) goedgekeurd door de gemeenteraad. In dat 'structuurplan' (zonder bindend gedeelte) was reeds sprake van de headquarterszone. In het voorontwerp dat eraan voorafging (anno 1994) was dat nog niet het geval([41]).
In de loop van jaren veranderde de titel van het Brugse 'structuurplan' verschillende keren van 'beleidsplan' naar 'structuurplan', juist omdat het plan niet conform was aan het Planningsdecreet van 1996 dat structuurplanning voorzag.
De recentste versie van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan([42]) is op 27 juni 2000 voorlopig vastgesteld door de gemeenteraad. Na de verkiezingen (op 8 oktober 2000) gaat de tekst in openbaar onderzoek. Waarschijnlijk zal deze periode lopen van 1 november 2000 tot eind januari 2001. De stad Brugge is bezig de integrale tekst van het GRS op CD-ROM te zetten. De bindende bepalingen zouden ook op de officiële website van Brugge komen, zodat de tekst door elke geïnteresseerde gemakkelijk kan geconsulteerd worden([43]).
Voor deze thesis staat er niet veel relevante informatie in het structuurplan. Belangrijk is dat het openruimte-beleid dat Brugge reeds jaren probeert na te leven wordt gehandhaafd. In concreto betreft het een 'groene fortengordel' rond (en vooral ten zuiden) van de stedelijke agglomeratie: "Brugge wordt omringd door een stelsel van kastelen met bijhorende parken. Deze parken en fortrestanten vormen ankerpunten voor het uitwerken van een groengordel rondom Brugge([44])." De voorstelling van dit concept is te zien in bijlage 12. In feite gaat het om een dubbele groene gordel: de binnenste is ingesloten in het bestaande woonweefsel en heeft vooral een recreatieve functie. De buitenste gordel bestaat uit meer excentrisch gelegen parken die ecologische stapstenen vormen tussen de grote openruimte-gebieden en de zuidelijke bosgebieden (gelegen in de zandstreek).
Dat Brugge dit openruimte-beleid (veelal) consequent nastreeft wordt bewezen door de vele BPA's die reeds opgemaakt werden om woon(uitbreidings)gebied om te vormen tot open ruimte (vooral agrarisch gebied). Op die manier wordt een harde grens gecreëerd tussen de agglomeratie en de open ruimte([45]).
Ook daarom wordt de taakstelling gevreesd die door het gewest zal opgelegd worden bij de afbakening van het stedelijk gebied. Brugge hoopt dat die taakstelling wat betreft woongelegenheden niet te groot zal zijn zodat ze door inbreiding en bebouwing van onbebouwde percelen, die binnen de agglomeratie gelegen zijn, kan verwezenlijkt worden([46]).
In het GRS wordt de bescherming van de open ruimte als een basisoptie bekeken, net als de herwaardering en versterking van het stedelijke weefsel. Deze basisprincipes worden afgeleid uit en geformuleerd tegenover enkele trends die blijken uit het informatief gedeelte. Enkele van de trends die belang hebben voor deze thesis zijn:
- "een aftakeling van de klassieke secundaire tewerkstelling en een exponentiële groei van de tertiaire tewerkstelling
- een versnipperde inname van de open ruimte en de tertiaire verlinting van de invalswegen
- het verschuiven van stedelijke activiteiten van de binnenstad naar de rand
- een externe randstedelijke groei van centrumfuncties."([47])
Opvallend is het ontbreken van informatie over de headquarterszone in het informatief gedeelte van het GRS. Er staat enkel heel algemeen vermeld dat er geen kwantitatief onderzoek gehouden werd naar regionale bedrijventerreinen daar het de taak is van het Vlaams Gewest om het quotum te bepalen voor Brugge([48]).
Het idee headquarterszone duikt dan plots in het richtinggevend gedeelte op zonder eerder voor te komen in het informatief gedeelte. Er wordt vermeld "dat het voorstel van headquarterspark of specifieke dienstenzone (ca. 28 ha) aan de Chartreuseweg langs de primaire weg N31 inspeelt op de groeiende tewerkstelling in hoogwaardige vormen van dienstverlening.
Onder headquarters wordt hier begrepen: "hoofdzetels van bedrijven of researchcentra van internationaal, nationaal of gewestelijk (niveau Vlaanderen) belang, met uitsluiting van baliefunctie, toonzalen, productie-eenheden, bergplaatsen voor voertuigparken, handel- en horeca- anders dan voor eigen behoeften van werknemers."([49])
De headquarterszone wordt ook als structurerend element gezien voor de gewenste ruimtelijke structuur van Sint-Michiels (zie bijlage 13)([50]).
Ook vermeld het GRS([51]): "de grondinname door bedrijven op bedrijventerreinen heeft geen directe relatie meer met gegevens zoals aangroei van de beroepsbevolking, expansie van de werkgelegenheid en dergelijke. Belangrijker is de toenemende tertiairisering van de werkgelegenheid. Hierbij is niet alleen de terreinbehoefte veel geringer dan in de industriële sector, (355m² ten opzichte van 110 m² in de tertiaire sector [vermoed wordt dat het om cijfers per tewerkgestelde gaat] ) maar ook de verweving met de woonfunctie ligt veel meer voor de hand. Typerend is dat de werkgelegenheid in de binnenstad, bijna uitsluitend van tertiaire aard, in de periode 1972-1992 helemaal niet is afgenomen en zelfs lichtjes is gegroeid. De synergie tussen de tertiaire sector en een stedelijk milieu als de Brugse binnenstad mag niet verwaarloosd worden."
Het Ruimtelijk Structuurplan Brugge opent trouwens zelf de weg voor een andere locatie voor de headquarterszone, namelijk in de stationsomgeving. Bij 'kwaliteiten en potenties'([52]) wordt immers de "goede autobereikbaarheid tot aan het station" vernoemd. Nochtans wordt de slechte autobereikbaarheid van de stationsomgeving steeds genoemd als reden waarom daar de headquarterszone niet kan komen.
We kunnen concluderen dat in het GRS nog steeds het principe van het sinds jaren volgehouden openruimte-beleid wordt aangehouden. Hierdoor wordt gestreefd naar een openruimte-gordel rond (en vooral ten zuiden) van de stad. De realisatie van de headquarterszone op de beoogde locatie zou een inconsequentie betekenen, tegengesteld aan het reeds jaren gevoerde openruimte-beleid. De schending van dit principe is onmiddellijk ook het belangrijkste bezwaar tegen het omvormen van de beoogde locatie tot bedrijventerrein. Ook al omdat het als een precedent kan gelden voor andere gevallen. In het informatief gedeelte van het GRS staat niets vermeld over de noodzaak aan een headquarterszone. Het onderzoek wordt in feite afgewimpeld naar het Vlaamse niveau. Het komt dan eigenaardig over dat in het richtinggevend gedeelte deze headquarterszone plots wel komt opdagen.
[1] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 284
[2] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 284
[3] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 130
[4] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 153
[5] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 130
[6] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 133
[7] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 58
[8] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Richtinggevend gedeelte, pg. 362
[9] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Richtinggevend gedeelte, pp. 505-506
[10] "Open ruimte" wordt zowel in het RSV als in deze thesis opgevat als niet- of weinig bebouwde ruimte. De term staat aldus los van de graad van visuele openheid van het landschap en de uitgestrektheid ervan.
[11] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Richtinggevend gedeelte, pp. 317-318
[12] Er is op deze locatie noch functionele noch ruimtelijke verweving. Het Smisjesbos wordt amper gebruikt voor recreatie, het PIDO komt over als een (ook letterlijk) gesloten, op zichzelf staand dorp. Ook wat de landbouwactiviteiten of de AWV betreft kan nauwelijks van enige verweving sprake zijn.
[13] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 284
[14] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 284
[15] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 45
[16] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Informatief gedeelte, pg. 160
[17] Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, Richtinggevend gedeelte, pp. 449-450
[18] PRS West-Vlaanderen, Tussentijds Document 3 (juni 1999), Deel 1, pg. 14
[19] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 42
[20] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 91
[21] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 88
[22] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 89
[23] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 90
[24] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 89
[25] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 88
[26] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 70
[27] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 71
[28] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 88
[29] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 92
[30] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 90
[31] Voorontwerp Struktuurplan Kustzone, pg. 90
[32] In het Voorontwerp Struktuurplan Kustzone staat verder nog gepreciseerd wanneer men ervoor geopteerd heeft een dergelijke pijl af te drukken. Het moet gaan om "situaties waar de konkrete verstedelijkingsdruk het grootst is en het meest nefast is", en verder "deze pijlen benadrukken de noodzaak om de (plaatselijk nog slechts beperkte) open ruimte maximaal te behouden en zelfs te versterken om het aan elkaar klitten van bebouwingskoncentraties te voorkomen." (pg. 166)
[33] "Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen, Tussentijds Document 3 (juni 1999)" en "Voorstel van Ontwerp Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen (juni 2000)"
[34] PRS West-Vlaanderen, Tussentijds Document 3 (juni 1999), Deel 2, pg. 33
[35] PRS West-Vlaanderen, Tussentijds Document 3 (juni 1999), Deel 2, pg. 34
[36] Term gebruikt in het PRS-WV. Een natuuraandachtszone is een samenhangende zone waarbinnen het Vlaams niveau de grote eenheden natuur (GEN), grote eenheden natuur in ontwikkeling (GENO) en natuurverwevings-gebieden nog moet afbakenen. (Uit: Voorstel van Ontwerp PRS-WV, Richtinggevend deel, pg. 171)
[37] PRS West-Vlaanderen, Tussentijds Document 3 (juni 1999), Deel 2, pg. 115
[38] Voorstel van Ontwerp PRS-WV, juni 2000, Deel 2 Richtinggevend gedeelte, pg. 29
[39] Brief van Dhr. John Teerlinck (Voorzitter van Streekplatform van het arrondissement Brugge) aan Dhr. Jan Durnez (Bestendig Gedeputeerde Provincie West-Vlaanderen)
[40] Mondelinge mededeling door Dhr. D. Verté, Dienst Urbanisatie Stad Brugge, 17 juli 2000
[41] Mondelinge mededeling door Dhr. D. Verté, Dienst Urbanisatie Stad Brugge, 17 juli 2000
[42] Groep Planning, Stad Brugge. Ruimtelijk Structuurplan. Voorontwerp, 10 mei 2000
[43] Mondelinge mededeling door Dhr. D. Verté, Dienst Urbanisatie Stad Brugge, 17 juli 2000
[44] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pg. 12
[45] Mondelinge mededeling door Dhr. D. Verté, Dienst Urbanisatie Stad Brugge, 17 juli 2000
[46] Mondelinge mededeling door Dhr. D. Verté, Dienst Urbanisatie Stad Brugge, 17 juli 2000
[47] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pg. 2
[48] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Informatief gedeelte, pg. 174
[49] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pg. 30
[50] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Kaart 13: Gewenste ruimtelijke structuur Sint-Michiels
[51] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Richtinggevend gedeelte, pg. 29
[52] Ruimtelijk Structuurplan Brugge - Informatief gedeelte, pg. 108