Toelichting bij de bescherming van het archeologische monumenten van het Chartreusegebied

22/07/2003 - Minister Van Grembergen


Dames en heren,

Vlaanderen is sinds eeuwen één van de dichtstbevolkte regio's van Europa; er komen nauwelijks gebieden voor die ongerept zijn of waar de menselijke invloed tot op vandaag onbeduidend is gebleven.

Het archeologisch patrimonium van Vlaanderen is bijzonder rijk. De bodem registreert immers nauwkeurig elke ingreep van de mens door de tijd heen. Geen enkele kuil werd gegraven, geen enkel gebouw werd opgetrokken, geen enkel terrein werd opgehoogd zonder sporen na te laten in de bodem. Dit bodemarchief maakt bijgevolg evenzeer deel uit van ons Vlaamse erfgoed.

Ook de Brugse regio en in het bijzonder het Chartreusegebied heeft een ongekend rijke ondergrond. Reeds in de 19de eeuw werd melding gemaakt van de vondst van diverse vuurstenen werktuigen. Pas met de luchtfotografische prospectie, uitgevoerd door de heer Jackie Semey en de Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa (van de Universiteit Gent) kwam de uitzonderlijke archeologische rijkdom van het Chartreusegebied aan het licht.

Het gaat hierbij om:
twee circulaire sporen, waarschijnlijk grafheuvels uit de midden bronstijd;
drie lineaire sporen, wellicht een grachtensysteem ter afbakening en/ of verdediging van waarschijnlijk een prehistorisch site;
een ‘dubbel-ovaal-vormig’ spoor; wellicht een prehistorisch funerair of religieus monument,
talrijke verspreide vlekken, mogelijk kuilen, graven, paalsporen, e.d.

Het meest tot de verbeelding sprekende spoor van dit ensemble is het grachtencomplex dat de vorm heeft van een ‘dubbele ovaal’. In Vlaanderen, maar ook in de buurlanden, is vooralsnog geen tweede voorbeeld gekend. Mogelijk had het een rituele functie en maakt het, evenals de circulaire sporen, deel uit van een begraafplaats uit de midden bronstijd (derde millennium vóór Christus) waarvan in de onmiddellijke buurt sporen zijn gevonden.

Het gaat om structuren die de restanten zijn van zogenaamde grafheuvels. De ronde grafheuvel zelf is door eeuwenlange landbouwactiviteiten met het loopvlak gelijk gemaakt.


Dames en heren,

Algemeen is bij opgravingen van soortgelijke complexen gebleken dat deze structuren - die toch geruime tijd zichtbaar aan het oppervlak herkenbaar zijn geweest - steeds een grote aantrekkingskracht op de mens hebben uitgeoefend. Niet zelden treft men bij dergelijke grafmonumenten dan ook archeologische sporen uit latere tijden (IJzertijd, Romeinse periode, Vroege Middeleeuwen) aan. Het gaat hierbij soms om nederzettingscontexten, maar vooral om grafvelden die het funerair karakter van het gebied niet enkel onderstrepen maar ook voortzetten in de tijd. In elk geval concentreren de archeologische sporen zich niet enkel op de terreinen die direct aansluiten bij de ‘dubbele ovaal’.

Over de juiste interpretatie en/of datering van dit belangrijke archeologische complex kan slechts een uitspraak gedaan worden na grondig archeologisch onderzoek. De aanwezigheid van een necropool uit de middenbronstijd is in ieder geval zeer waarschijnlijk. Wat daarnaast nog verder wordt vertegenwoordigd door de talrijke andere sporen of niet zichtbaar is in de sporen, is uiteraard zonder een dergelijk vooronderzoek niet te achterhalen.

Door zijn grote kwetsbaarheid is het bodemarchief bijzonder gevoelig voor allerlei vernietigingsfactoren zoals erosie, diepploegen en infrastructuurwerken. Opdat dit collectief geheugen niet ongeregistreerd op de schop of de graafmachine zou gaan, is de nood aan een geïntegreerd archeologisch monumentenbeheer zeer groot.

Met het instrumentarium op basis van het decreet op het archeologisch patrimonium, wil ik als Vlaams minister, bevoegd voor de erfgoedzorg, de uitzonderlijke concentratie van archeologische sporen in het Chartreusegebied beschermen als archeologisch monument. Ik heb de afdeling Monumenten en Landschappen dan ook de opdracht gegeven mij eerstdaags het ministerieel besluit hiertoe ter ondertekening voor te leggen. Daarenboven zal ook de site met de historische hoeve ‘Groot Magdelenagoed’ als dorpsgezicht worden beschermd.

Een dergelijke bescherming beoogt de vrijwaring van het bodemarchief en de bewaring van de resten “in situ”. Indien een dergelijke bewaring niet gegarandeerd kan worden, dwingt de bescherming voldoende tijd en middelen af om het gehele complex te onderzoeken en te documenteren via archeologische opgravingen.

Met deze beslissing wordt voor het eerst in Vlaanderen invulling gegeven aan het Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed van de Raad van Europa (Malta, La Valletta – 19 januari 1992). De Vlaamse regering hechtte op 12 oktober 2001 haar goedkeuring aan dit Verdrag en ondertussen heeft België op 30 januari 2002 dit verdrag namens de drie Gewesten ondertekend.

Het Verdrag van La Valletta bepaalt onder meer dat de zorg voor het archeologisch patrimonium een integraal onderdeel moet worden van het ruimtelijk beleid en dat archeologisch vooronderzoek een verplicht onderdeel moet worden van de voorbereiding van structuur- en bestemmingsplannen.

Nu de plannen voor een “bedrijfszone” aan de hier nabij gelegen E40 vorm krijgen, wil ik als Vlaams minister bevoegd voor het erfgoed, de zorg voor het archeologisch patrimonium inschrijven in het beleid inzake ruimtelijke ordening.

Mijn collega Van Mechelen gaf onlangs de opdracht tot het opmaken van een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan voor het Chartreusegebied. Met mijn beslissing tot de bescherming van het de archeologisch waardevolle zones en het Groot Magdalenagoed ben ik er van overtuigd dat men bij het eventuele uitvoeringsplan minstens terdege rekening zal houden met de hier aanwezige erfgoedwaarden.
Dames en heren,

Het is misschien ongebruikelijk maar toch wil ik vandaag bijzondere waardering uiten. Ik wil mijn appreciatie uitspreken voor de deskundigheid en gedrevenheid waarmee de mensen van het Groene Gordel Front de vrijwaring van de Brugse Groene Gordel verdedigen. Ze doen dit vanuit een eigentijdse visie op duurzame mobiliteit en duurzaam ruimtebeleid. Ze steken hun nek uit in tijden waarin het 'kortetermijn' al te vaak de bovenhand neemt, waarin de belangen van de huidige generaties niet worden afgewogen tegen deze van toekomstige generaties.

Dergelijke basisbewegingen zijn voor een overheid niet de makkelijkste klanten. Maar organisaties als het Groene Gordel Front, gewapend met onderbouwde argumenten, doen politici wel ontwaken uit hun stoutste dromen, proberen pleisters te leggen op gapende wonden, duwen de mensen in de richting van maatschappelijke actie. Ze houden de maatschappelijke bewogenheid van de politici hoog. Dat lijkt me goed.

Als politici hebben we het daar niet altijd even makkelijk mee. Dergelijke organisaties verstoren ons eigen grote en al te evidente gelijk, zetten een kras in onze ijdelheid. En waarom? Het is geen schande om als politicus op basis van gefundamenteerde argumenten of nieuwe feiten je mening bij te schaven of te herzien. Ook al gebeurt dat onder impuls van atypische basisbewegingen als het Groene Gordel Front.

Ik dank u,

PAUL VAN GREMBERGEN
Vlaams Minister van Binnenlandse Aangelegenheden,
Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken