|
Dames en heren,
Vlaanderen is sinds eeuwen één van de dichtstbevolkte regio's van Europa; er
komen nauwelijks gebieden voor die ongerept zijn of waar de menselijke invloed
tot op vandaag onbeduidend is gebleven.
Het archeologisch patrimonium van Vlaanderen is bijzonder rijk. De bodem
registreert immers nauwkeurig elke ingreep van de mens door de tijd heen. Geen
enkele kuil werd gegraven, geen enkel gebouw werd opgetrokken, geen enkel
terrein werd opgehoogd zonder sporen na te laten in de bodem. Dit bodemarchief
maakt bijgevolg evenzeer deel uit van ons Vlaamse erfgoed.
Ook de Brugse regio en in het bijzonder het Chartreusegebied heeft een ongekend
rijke ondergrond. Reeds in de 19de eeuw werd melding gemaakt van de vondst van
diverse vuurstenen werktuigen. Pas met de luchtfotografische prospectie,
uitgevoerd door de heer Jackie Semey en de Vakgroep Archeologie en Oude
Geschiedenis van Europa (van de Universiteit Gent) kwam de uitzonderlijke
archeologische rijkdom van het Chartreusegebied aan het licht.
Het gaat hierbij om:
twee circulaire sporen, waarschijnlijk grafheuvels uit de midden bronstijd;
drie lineaire sporen, wellicht een grachtensysteem ter afbakening en/ of
verdediging van waarschijnlijk een prehistorisch site;
een ‘dubbel-ovaal-vormig’ spoor; wellicht een prehistorisch funerair of
religieus monument,
talrijke verspreide vlekken, mogelijk kuilen, graven, paalsporen, e.d.
Het meest tot de verbeelding sprekende spoor van dit ensemble is het
grachtencomplex dat de vorm heeft van een ‘dubbele ovaal’. In Vlaanderen, maar
ook in de buurlanden, is vooralsnog geen tweede voorbeeld gekend. Mogelijk had
het een rituele functie en maakt het, evenals de circulaire sporen, deel uit van
een begraafplaats uit de midden bronstijd (derde millennium vóór Christus)
waarvan in de onmiddellijke buurt sporen zijn gevonden.
Het gaat om structuren die de restanten zijn van zogenaamde grafheuvels. De
ronde grafheuvel zelf is door eeuwenlange landbouwactiviteiten met het loopvlak
gelijk gemaakt.
Dames en heren,
Algemeen is bij opgravingen van soortgelijke complexen gebleken dat deze
structuren - die toch geruime tijd zichtbaar aan het oppervlak herkenbaar zijn
geweest - steeds een grote aantrekkingskracht op de mens hebben uitgeoefend.
Niet zelden treft men bij dergelijke grafmonumenten dan ook archeologische
sporen uit latere tijden (IJzertijd, Romeinse periode, Vroege Middeleeuwen) aan.
Het gaat hierbij soms om nederzettingscontexten, maar vooral om grafvelden die
het funerair karakter van het gebied niet enkel onderstrepen maar ook
voortzetten in de tijd. In elk geval concentreren de archeologische sporen zich
niet enkel op de terreinen die direct aansluiten bij de ‘dubbele ovaal’.
Over de juiste interpretatie en/of datering van dit belangrijke archeologische
complex kan slechts een uitspraak gedaan worden na grondig archeologisch
onderzoek. De aanwezigheid van een necropool uit de middenbronstijd is in ieder
geval zeer waarschijnlijk. Wat daarnaast nog verder wordt vertegenwoordigd door
de talrijke andere sporen of niet zichtbaar is in de sporen, is uiteraard zonder
een dergelijk vooronderzoek niet te achterhalen.
Door zijn grote kwetsbaarheid is het bodemarchief bijzonder gevoelig voor
allerlei vernietigingsfactoren zoals erosie, diepploegen en
infrastructuurwerken. Opdat dit collectief geheugen niet ongeregistreerd op de
schop of de graafmachine zou gaan, is de nood aan een geïntegreerd archeologisch
monumentenbeheer zeer groot.
Met het instrumentarium op basis van het decreet op het archeologisch
patrimonium, wil ik als Vlaams minister, bevoegd voor de erfgoedzorg, de
uitzonderlijke concentratie van archeologische sporen in het Chartreusegebied
beschermen als archeologisch monument. Ik heb de afdeling Monumenten en
Landschappen dan ook de opdracht gegeven mij eerstdaags het ministerieel besluit
hiertoe ter ondertekening voor te leggen. Daarenboven zal ook de site met de
historische hoeve ‘Groot Magdelenagoed’ als dorpsgezicht worden beschermd.
Een dergelijke bescherming beoogt de vrijwaring van het bodemarchief en de
bewaring van de resten “in situ”. Indien een dergelijke bewaring niet
gegarandeerd kan worden, dwingt de bescherming voldoende tijd en middelen af om
het gehele complex te onderzoeken en te documenteren via archeologische
opgravingen.
Met deze beslissing wordt voor het eerst in Vlaanderen invulling gegeven aan het
Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed van de Raad
van Europa (Malta, La Valletta – 19 januari 1992). De Vlaamse regering hechtte
op 12 oktober 2001 haar goedkeuring aan dit Verdrag en ondertussen heeft België
op 30 januari 2002 dit verdrag namens de drie Gewesten ondertekend.
Het Verdrag van La Valletta bepaalt onder meer dat de zorg voor het
archeologisch patrimonium een integraal onderdeel moet worden van het ruimtelijk
beleid en dat archeologisch vooronderzoek een verplicht onderdeel moet worden
van de voorbereiding van structuur- en bestemmingsplannen.
Nu de plannen voor een “bedrijfszone” aan de hier nabij gelegen E40 vorm
krijgen, wil ik als Vlaams minister bevoegd voor het erfgoed, de zorg voor het
archeologisch patrimonium inschrijven in het beleid inzake ruimtelijke ordening.
Mijn collega Van Mechelen gaf onlangs de opdracht tot het opmaken van een
Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan voor het Chartreusegebied. Met mijn
beslissing tot de bescherming van het de archeologisch waardevolle zones en het
Groot Magdalenagoed ben ik er van overtuigd dat men bij het eventuele
uitvoeringsplan minstens terdege rekening zal houden met de hier aanwezige
erfgoedwaarden.
Dames en heren,
Het is misschien ongebruikelijk maar toch wil ik vandaag bijzondere waardering
uiten. Ik wil mijn appreciatie uitspreken voor de deskundigheid en gedrevenheid
waarmee de mensen van het Groene Gordel Front de vrijwaring van de Brugse Groene
Gordel verdedigen. Ze doen dit vanuit een eigentijdse visie op duurzame
mobiliteit en duurzaam ruimtebeleid. Ze steken hun nek uit in tijden waarin het
'kortetermijn' al te vaak de bovenhand neemt, waarin de belangen van de huidige
generaties niet worden afgewogen tegen deze van toekomstige generaties.
Dergelijke basisbewegingen zijn voor een overheid niet de makkelijkste klanten.
Maar organisaties als het Groene Gordel Front, gewapend met onderbouwde
argumenten, doen politici wel ontwaken uit hun stoutste dromen, proberen
pleisters te leggen op gapende wonden, duwen de mensen in de richting van
maatschappelijke actie. Ze houden de maatschappelijke bewogenheid van de
politici hoog. Dat lijkt me goed.
Als politici hebben we het daar niet altijd even makkelijk mee. Dergelijke
organisaties verstoren ons eigen grote en al te evidente gelijk, zetten een kras
in onze ijdelheid. En waarom? Het is geen schande om als politicus op basis van
gefundamenteerde argumenten of nieuwe feiten je mening bij te schaven of te
herzien. Ook al gebeurt dat onder impuls van atypische basisbewegingen als het
Groene Gordel Front.
Ik dank u,
PAUL VAN GREMBERGEN
Vlaams Minister van Binnenlandse Aangelegenheden,
Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken
|